Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze hét nou Koose toevallig niks gedaan, maar als ze nen 'anval krijgt, zoo'n gék, kan ze je wel 'n heete trekpot na je hoofd gooie, en pleizierig dan voor je meisje later, 'n man met uitgebrande oogen."

„Ik ben niet bang voor die lammergier, ik draai met me halleve hand der magere eendenek om," geringachtte de „gangesjeerde" huisknecht.

„Lamme gier?" wees hem de tweede meid terecht in de natuurlijke historie. „Beroerde gier, zeg dat, om dat arme wurm zoo af te ransele, en mijn verlejen m'n schoone trappe heelemaal te laten overdoen."

„Ja, net," versterkte de weelderige fantazie der keukenprinses, „een beroerling van 'n gier, dat is 'et. En as ze temet erreger wordt, en ze blijf hier en mijnheer geef mijn niet dalijk véél opslag, zeg ik derek me diens op, oppasser in 'n gekkehuis kan ik altijd nog worre, wat jullie! We kenne allemaal wel wegloope."

„Nou," beaamde de rest in koor, toejuichend dit licht in duisternis brengend denkbeeld, en besloten dienovereenkomstig te handelen.

Daarop bracht Karei, voor één persoon in de eetkamer gedekt hebbend, mevrouw onderdanig mevrouws thee; slimheid, voldoening, angst en nieuwsgierigheid in zijn wetende knechtoogen.

Als Suzanne het eenzame bordje gewaar was geworden op de groote witte ontbijttafel, zonk haar hart, zwaar van bange voorgevoelens. „O, nieuwe taktiek, meneer en de juffrouw waren er niet, schuwden haar klaarblijkelijk. Dat nest Etha kwam zeker pas om een uur of elf naar beneden. En wie had gezegd dat voor haar alléén moest gedekt ? De brutaliteit....!"

Zij was te trotsch den huisknecht iets te vragen.

Gerustgesteld, onderrichtte hij „die gek" dus welwillend, bijna nederbuigend-vriendelijk, met de noodige leugens: „Compliment van meneer, mevrouw, en mevrouw moest zich maar met ongerust maken, maar meneer was met de freule al om vóór half acht uitgereden en meneer kwam van avond pas thuis." Vervolgens stapte Karei achteruit, één oog in behoedzaamheid op den trekpot, dien Suzanne greep.

Sluiten