Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

soiréetoiletje, waarin zij zingen zou in Nolette's hotel. Een bitter glimlachje krulde Mathilde's mondhoeken om. „Hoe dikwijls vroeger had zij niet op een wat sierlijker toilet bij

Jenny aangedrongen en Jenny had haar letterlijk met

standjes teruggewezen, nu had hij maar één woord te spreken en 't was 't evangelie. Ida zou ook gaan, moest eveneens wat nieuws hebben; maar gemaakt koopen, geen tijd voor twéé japonnen bij een naaister, die van Jenny was al spoedwerk. Het kapitaaltje moest maar aangesproken worden. Enfin, na Jenny's vertrek zou zij er voor goed af zijn

Of er moest een huwelijksuitzet noodig wezen. Dan groote

kosten nog voor goed uit met zorg betreffende Jenny, én

eigen denken aan Nolette. Dan zou hij eerst dood voor haar zijn, erger dood dan ontslapen, als wanneer zij ten minste nog de herinnering aan hem ongerept zou kunnen bewaren

Ja, het was en bleef tragisch.... enfin, nu niet over

tobben, werken maar "

Na het niet genoten ontbijt was Suzanne, met knikkende knieën, en bevreesd iemand uit het personeel te ontmoeten, naar haar kamer gegaan, te ellendig om op te blijven. Op heur schellen verscheen de kamenier. Zij zeide ziek te zijn, niemand te willen ontvangen en niet te willen eten. Men behoefde niets voor haar klaar te maken.

Geen ei ook, mevrouw? Geen bouillon ?" vroeg het meisje plichtmatig. „Niets," zei Suzanne, deemoed door zwakte in haar stem.

„Wil ik den dokter laten roepen, mevrouw?" „Néé," klonk het beslist.

Toen de kamenier de deur achter zich dicht had, sprong Suzanne het bed uit, en draaide den sleutel in het slot om. „Dan zouden ze haar ten minste niet storen, die ellendige treiters beneden. Dat je zulke schepsels nóódig had. Je vijanden waren het, doodgewoon."

En zoo lag mevrouw Frederik Polenius daar, terwijl zij de koorts voelde stijgen, schuddend onder koude en heete rillingen, ten prooi aan een verterend hartzeer en een haar radeloos-makende onzekerheid. „Waar waren Frits en Etha

Sluiten