Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen Frederik om zeven uur zijn huis binnentrad, stormden drie meiden, met een knecht als postiljon, hem tegemoet. „Meneer, meneer, 't is nóu toch zoo erg met mevrouw! Mevrouw heb mevrouws deur afgeslote, en mevrouw gilt tusschenbeije dat 't je door merreg en been gaat.... 't Is wat te zegge, hoor .... zoo ineene...."

„Komaan," zei Frederik koeltjes, haastig de gang doorschrijdend, en zich naar de trap terzijde richtend.

„Meneer!? meneer!? zou meneer wel gaan? Als mevrouw meneer nou maar niks dóét!"

Hij smoorde met geweld een lach.

„Je hebt die zweep toch naar den stal gebracht, hoop ik?" vroeg hij den huisknecht.

„Ja zeker, meneer, ja zeker. Ik heb 'em zelfs gelegd waar niemand 'em vinden kan, meneer."

„Mooi. Ga jullie dan maar naar beneden, naar jullie appartementen. Mijn welzijn loopt heusch geen gevaar, dank je voor de belangstelling," spotte hij.

Zij dropen, verlicht, wat uit het veld geslagen, een voor een af. „Goddank dat meneer der is," hoorde hij de keukenmeid nog zeggen.

Hij kwam door zijn kleedkamer in Suzanne's slaapkamer, naderde het bed, sloeg de zware zijden gordijn op. Suzanne voer langzaam overeind, zich oprichtend aan de handen. „Frits!" blijde herkenning lichtte in haar oogen. „Lief lief van je dat je naar me komt kijken. Je bent een schat."

„Jij óók. En je hebt óók iets liefs gedaan gisterenavond, iets allerliefsts, mevrouw Polenius. Dank je nog wel dat je mijn kind bijna vermoord hebt."

„Bijna vermoord? dat is met waar, waar is ze .... ?"

„Ze is, waar jij haar niet bereiken kan, 't gaat jou niets aan waar mij n kind is, verstaan, ellendig creatuur ? Vrouw, die niet waard is moeder te zijn!"

„Frits, spaar me, lieveling, ik ben ziek, zwak."

„Heb jij Etha gespaard? Een braaf best kind, waarvan je nooit een minuut verdriet hebt gehad, en dat je zeker daarom altijd een miserabel leven hebt bezorgd. Ik, monster, ik afschuwelijke egoïst, ik had 'r van je weg moeten nemen,

Sluiten