Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

getrappel, het handgeklap. Zij zag, als in een nevel, den drom van opgetogen gezichten; dat harer moeder stralend, schitterend, dat van Jules, die, zijn ingetogenheid vergetend, haar toewuifde.... en zij voelde zich over-overgelukkig, koningin van het oogenblik. Nu zij dit al hier had, wat zou de toekomst, na meerdere studie, haar dan nog wel brengen ? En een wijle verblind door dezen gouden droom, vergat zij Nolette, die haar met welgevallen bekeek. „Waarlijk, ze was een allerliefst verschijninkje, dat dochtertje van Mathilde, en haar stem was goddelijk. Zij had zijn avond luister bij gezet, prachtig besloten."

Hij zelf geleidde haar aan tafel voor het souper, in een nevenzaal aangericht, en daar waren hij en zij weder het middelpunt aller blikken, het onderwerp aller gesprekken. Er werd op hem getoast, en op haar, en alle verdere artiesten, „die dien avond onvergetelijk hadden gemaakt voor de gasten," werden vervolgens herdacht. Jenny bemerkte met trots dat men éérst van haar sprak, en daarna van mevrouw Brisch. Mevrouw Brisch, echter, bleek goedhartig; zij wist zich, als veteraan in de kunst, ook zooveel sterker dan Jenny; zij knikte haar, van den overkant, vriendelijk toe, knipoogend met zekere nederdalende goedkeuring. En zij zeide tot Mathilde: ,,'t Is werkelijk heel lief van uw dochtertje, een heel aardig stemmetje, 't Is natuurlijk, nog lang niet, nog lang niet...." Zij zuchtte en liet haar diamantje dansen.

„Neen, neen," haastte zich Mathilde, „Jenny moet ook nog leeren, héél veel leer en."

„Dit is 't ongelukkigste," zuchtte mevrouw Brisch voor haar tafelheer heen, die aldus zijn blikken bescheidenlijk kon laten weiden over de bevalligheden, welke mevrouw Brisch had gemeend niet aan het menschelijk oog te moeten onttrekken, — „dit is wel het ongelukkigste: dat er zooveel menschen zich verbeelden er al te zij n, die er in 't gehéél met zijn. Pedanterie, mijn lieve mevrouw.... doodt den kunstenaar."

Mathilde neeg het hoofd, instemmend.

„Men is er ten slotte nooit, want zelfs ik studeer nog, lieve mevrouw, ik studeer nog. Ich studire noch.... ach ...." Mevrouw Brisch 's grijze oogen voeren ten hemel.

Sluiten