Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch zij bleven leeg, geen Jenny wierp er zich in. De stugge onwil dien Mathilde zoo goed kende, vernorschte Jenny's trekken.

„Nee, moeder...."

„Kan je 't mij niet vergeven?"

„Nee moeder, 't is te vreeselijk."

„Gód Jenny, ik heb immers medelijden met jou, héb 't dan toch ook met mij; Henri heeft wél gelijk, als hij spreekt van mijn stéénen kinderen. Als ik je dien avond, toen hij voor 't eerst bij ons speelde, nu eens alles verteld had, zou je dan niet gezegd hebben dat ik, uit jaloezie, Nolette in een ongunstig daglicht wou stellen ? Néén, néén, je hadt mij niet geloofd, je hebt me immers nooit geloofd."

Geen antwoord.

„Jenny, ik eisch dat je mij zult antwoorden met jouw gewone eerlijkheid. Heeft Nolette je ooit een liefdesverklaring gedaan ? Heeft hij je gevraagd of je zijn leven met hem wilt deelen?"

„Nèe, moeder."

„Je eigen verbeelding dichtte hem gevoelens toe, die hij niet had voor je, die hij nooit gehad hééft...."

„Ik neem hem ook mets kwalijk, moeder, ik neem ó alleen kwalijk. Zelfs al was u bang dat ik 't niet geloofde, had u me alles móéten vertellen."

„Zoo, had ik dat? En daar voelde ik nu eens geen lust toe, Jenny. Mijn leven, voor ik getrouwd was, was even vrij van kwaad als 't jouwe, ik had me voor hoegenaamd niets te schamen, maar ik speel niet voor biechtend schoolkind tegenover mijn eigen dochters, die me altijd hebben afgestooten. Jij, net zoo goed als de anderen, al denk je van niet ...."

„U begrijpt, moeder, dat ik wel uit huis wil, van u weg, maar dat mijn kieschheid me verbiedt zijn geld aan te nemen om te studeeren."

„Dan bederf je eenvoudig je toekomst, Jenny, want ik laat zijn overige gevoelens, die tegenover jou heel mooi zijn, nog dóór, maar een hooger staand raadsman en kunstvriend krijg je nooit....'"

Sluiten