Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der woning door zich op haar stoel vrijelijk door alle vertrekken en gangen te bewegen en daar ze geen verkeersagent bij elke kamerdeur kon zetten, was het belletje als waarschuwingssein waarlijk geen overbodig ding.

Eén vertimmering was noodzakelijk geweest; naar en van alle drempels voerden glooiende planken weer naar den beganen grond en daarover steeg en daalde het toestel met elastische elegance van de kamers in de gang, vice versa.

Jeanne, de magere altijd zure en ontevreden Jeanne, kwam er rond voor uit, dat ze een hekel had aan dat gef iets door huis.

„Groote Hemel, je bent blij als je weer veilig van de straat, waar je telkens door die lamme dingen wordt opgeschrikt, in je huis bent, maar dan heb je waarempel nog geen rust, elk oogenblik tingelt dat ding van Marie langs je heen. Ik schrik er altijd weer opnieuw van en ik weet zeker, dat ik er nooit aan wennen zal ook. Mijn zenuwen kunnen niet tegen dat gejacht.

Laatst zat ik nog rustig te haken aan mijn sprei, nou en dat gebeurt iedereen wel es, toen was de kluw op den grond gevallen. Ineens schiet Marie voorbij zoo maar, zonder bellen, want dat doet ze nooit in de kamer en toen raakt de draad in d'r wiel.

Gut en ik zeg nog, ho, ho, maar jawel, zij vliegt natuurlijk maar door en hoe 't kwam weet ik nog niet, maar de haakpen schoot ui t m ijn vi ngers en zoo, voor mijn oogen, trok ze de heele ster uit."

Deodaat, gelijk gezegd, was wat schichtig voor het toestel, maar stond er niet bepaald vijandig tegenover. Bij wijze van voorzorgsmaatregel had hij een klein fluitje in zijn vestzakje en als hij niet precies wist waar Marie ergens was, placht hij, al loopend door het huis, telkens waar-

Sluiten