Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Het kan niet beter," dacht ook Jeanj*e.

„Johan, als je daar dan maar eens ging zittèn...." wees mevrouw Lebeu, na even te hebben rondgezien en ze wees op een klapstoeltje, dat in een hoek der kamer dicht bij een lamp stond.

„Jawel, nicht," sprak Johan op zachten toon. Hij boog weer voor de dames, ging gehoorzaam naar de aangewezen plaats, boog in 't voorbijgaan ook voor de zusters Vis en voor Suze, ging zitten, haalde een boekdeeltje uit de binnenzak van zijn colbert en verdiepte zich blijkbaar dadelijk in de lotgevallen van Remy, Vitalis en de andere zachtmoedige figuren uit dat lieve verhaal.

Middelerwijl hadden nog eenige dames de zaal betreden, Jacoba Grindveen, een klein dametje, met saamgeknepen oogen, een saamgeknepen neusje en een saamgeknepen mond, die uithoofde dier eigenaardigheden meestal Mietje Aluin genaamd werd, Cato Sladerus, de bekende pro-entente juffrouw met een lidteeken over haar neus, opgeloopen in een debat met een pro-duitsche vriendin, freule Simonet Grevelduin van Wemeldinge tot Katseveer, een Zeeuwsche aristocrate, die vice-presidente van Levensvreugde was en steeds vol grapjes zat, hetgeen in deze vereeniging trouwens geenszins misplaatst leek, juffrouw Thérèse Mandelbaum, die in verband met haar Duitsch accent altijd maar ver uit de buurt bleef van Cato Sladerus, hoewel de Mandelbaum's uit de Elzas kwamen en nu dus eigenlijk Franschen waren en ten slotte mevrouw Cornelia, gezegd Kee Kapón, de echtgenoote van een verooweeden kruidenier, dié uithoofde harer milde bijdragen aan allerlei vereenigingen welstandshalve in alle comité's zitting had en nooit een vergadering oversloeg ook.

Sluiten