Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in haar houding en stem: „Ik ben er in geslaagd een uitermate geschikt persoontje te vinden, een Belgisch vluchtelingetje wier familie op een afgrijselijke wijze door de Duitschers is doodgemarteld en die nu hier door hard werken op een modeatelier tracht haar zielig bestaan verder te sleepen. Als we dat meisje wat levensvreugde kunnen geven, dan heeft naar mijn overtuiging onze vereeniging alleen daarom reeds recht van bestaan."

De presidente boog gevleid en verheugd, dat er nu tenminste al vast één meisje zou komen.

„Mevrouw Lebeu....?"

„Ja," sprak deze dame, „ik heb heusch geen kans gezien voor vanavond een meisje hier te krijgen: ik ben in besprek met twee, zoo op het oog heel geschikte individu'tjes maar ik heb in 't eene geval van den vader en in 't andere van de moeder zoo'n buitengewoon ongunstigen indruk gekregen, dat ik eerst nog eens deugdelijk bij de politie wil informeeren. Men kan naar mijn overtuiging tegenwoordig niet te voorzichtig zijn. Endegeen, die de meisjes hier introduceert is zedelijk verantwoordelijk voor de moraliteit van die meisjes...."

De presidente knikte instemmend, maar de instemming werd blijkbaar verzuurd door de gedachte, dat mevrouw Leben dus ook al niemand aanbracht.

„Hier Johan heeft tersluiks eens poolshoogte genomen van de twee gezinnen," vervolgde mevrouw Lebeu „en de vader van dat eene meisje, niewaar Johan, leek angstwekkend veel op Landru...."

„Jawel nicht, frappant," stemde Johan toe.

„En de moeder van het andere, was precies een verkleede man."

„Hè hoe griezelig...." zei Leentje Vis.

Sluiten