Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ach so.„." lachte juffrouw Mandelbaum altijd blij als ze in haar moedertaal werd aangesproken. „Nah, 's wird mit Sjokola auch wohl genen!.... Es schmeckt ganz gut."

Cato Sladerus' oogen vlamden op en het lidteeken over haar neus werd rooder, een verschijnsel, dat zich altijd voordeed wanneer ze Duitsch hoorde spreken. En nu ergerde het haar dubbel, wijl ze 't een onkieschheid vond tegenover Leontine, wier vreeselijke ervaringen met de „Boches" het hooren van een Duitsch stemgeluid alleen al tot een zedelijke marteling moesten maken.

En de waarheid indachtig, dat het oplucht, verkropt leed eens tot uiting te kunnen brengen, begon ze Leontine naar haar ervaringen te vragen.

„Hè, vreeselijk, uw familie is doodgemarteld hè?" zei Leentje.

„Ik zou 't niet overleven," sprak Betje.

„Allebei uw ouders?" informeerde Leentje.

„Ah nee...." zei Leontine, „mijn ouwers nie, maar diene van 'n vriendin van mij, of eigelik heur peter; moar d'r meetje es 't er mee 'n stamp tegen heur ribben afgekomme.... joa, da ben dinge, zulle!"

„Zijn uw ouders dan niet doodgemarteld?" vroeg Cato Sladerus, wier eer met de waarheid van dit indianen? verhaal wel een beetje gemoeid was.

„Ah, dat zok toch nie denke juffra," zei Leontine ,,'k en ik gisteren nog een brief van ulder gekrege...."

Gelukkig kwam er stoornis in deze verwarde mededeelingen, waar niemand veel van begreep en die Cato Sladerus in hooge mate teleurstelden, al kwam het er, zooals ze later op heftigen toon zei, niets op aan, of nu juist de familie Schandevel niet was dood gemarteld; dan was het

Sluiten