Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tienus was er ai en Karei en Coos eveneens.

„Wie? Wij?" vroeg Karei, die altijd grappig wou wezen, maar vooral bij Carolien, die haar oom niet kon uitstaan, nooit eenig succes van zijn aardigheden had.

„Moet je begrijpen," vervolgde Carolien, die zich in een crapaudje liet vallen naast Tienus, „daar kom ik Louis van Heldenaer tegen, dat être, en dat geeft me nota bene nog een lijstje met een paar nummers.... of ik die nog in het programma wou inlasschen...."

„Nou en wat voor bezwaar is daar tegen?" vroeg Agnes, die het genoemde lijstje van Carolien overnam en het inkeek.

„ Voor de pauze" las ze hardop, „H moert en Klaart je. Parodie. Voordracht. Na de pauze. Amando Dandolo of de bloedwraak in den slottuin. Groot Melodrama in acht bedrijven en een naspel."

Tienus lachte.

„Nou, laat hem...." sprak hij op toegeeflijken toon.

„Jawel, laat hem!" riep Carolien wanhopig uit, „jullie hebben geen notie, wat er allemaal kijken komt.... de een wil dit, de ander dat, en die vóór de pauze en die na de pauze.... ik word er grijs van!"

„Je wou geen hulp hebben...." sprak Coos.

„Nee, tante en dat wil ik nog niet," antwoordde Carolien snibbig, „maar de menschen moeten redelijk blijven en niet met zulke onzinnige eischen aankomen."

„ Ik zou anders nog een prima assistent voor je weten," zei Tienus.

„Wie dan?" vroeg Carolien.

„Johan Lebeu."

Carolien kreeg een kleur tot in haar hals. „Hè jasses, wat flauw."

Sluiten