Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Soo, wet uwes seit!" sprak Sjors. „Wadde gesicht!" spotte Tine. „Pas t'er op!" riep de chef.

Ze deinsden allemaal terug voor de aandenderenden locomotief.

„Daar.... daar!" riepen Carolien en Agnes met den nog rijdenden trein meehollend, wijl ze achter een der voorbijflikkerende raampjes het glimmend kale hoofd van Deodaat hadden gezien; de anderen volgden op een sukkeldrafje.

„Waalbrugge!" riep de conducteur, de coupédeur openrukkend, waar aan de binnenzijde de bruigom met een parapluknop op het raampje stond te tikken.

„Daag.... daag!" schalden de vroolijke stemmen der meisjes. „Dag bruigom...! Clara.... hier!...."

„O God...."zuchtte Clara, die een hand tegen haar boezem sloeg en werd meegetrokken door haar broeder, die haar onder den arm had genomen en nu op een drafje met haar aankwam.

„Ze valt nog flauw in zijn armen!" grinnikte Karei.

Op dat oogenblik was Clara bij de coupé gekomen en nu losgelaten door Louis, vloog ze op haar bruigom toe met wijd uitgespreide armen.

„Allejesis, ik docht, datse ging swemme," fluisterde Sjors.

Deodaat, nog zonder hoed, omhelsde zijn bruid naar behooren, zij het wat haastig en terloops door de herrie der algemeene begroeting.

Jeanne stapte uit, lang en zuur als altijd met het verveelde gezicht van iemand, die in Godsnaam maar mee komt, maar het criant vindt.

Dan, eindelijk, verrees Marie, moeilijk en stijf van den

Sluiten