Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meega, als Clara het goed vindt, maar erg trekt het me op 't oogenblik nog niet aan."

Sjors keek even opzij naar Deodaat, die zoo gewoon en rustig met hen meepraatte en het viel hem op, dat ook Louis den bruigom op datzelfde oogenblik met veel belangstelling gadesloeg.

„Hier is het postkantoor," zei Karei even later.

„Dan neem ik hier afscheid, tot straks," zei Deodaat, die zijn hoed afnam, „en ik dank u voor het geleide...."

„Au revoir, bruigom...." zei Karei, al weer doorloopend, Coos en Tine knikten.

„Tot strakkies," zei Sjors. „Bonjour", zei Louis en dit tweetal volgde de anderen, terwijl Deodaat in het postkantoor verdween. Maar twintig schreden verder zei Sjors die telkens had omgekeken, plotseling: „Sjig, loopen jullie effies deur, ik kom soo achteran," en hij wendde zich om.

„Ik ga mee," zei Louis.

De twee heeren zagen elkaar aan. Sjors glimlachte, Louis keek angstig.

„We motten oppassen, dat de bruigom niet verdwaald," zei Sjors.

Louis knikte.

„Hij moest de verkeerde kant eens uitloopen," sprak hij.

„Nos kerremis nos, wet?" zei Sjors. Louis gaf geen antwoord, maar knikte.

Intusschen was Deodaat het postkantoor ingegaan, doch in stede van haastig op het loket toe te loopen, waar hij zijn telegrammen kon aanbieden, trad hij toe op het raam en keek door de hor de straat op.

Sluiten