Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het toestel rolde voort, steeg op, Clara had den sluier van haar hoed losgemaakt en wuifde.

Maar Deodaat, wiens hoed en een stuk van zijn hoofd even zichtbaar waren, reageerde niet op dien groet van zijn bruid.

„Misselijke fint is dat toch," mompelde Sjors, „kan dat loeder nou s'n hand niet es effen opsteken tegen dat mensch...."

Clara wuifde, wuifde, keek het toestel na, dat snel steeg tegen de blauwe lentelucht.

Sjors trad weer op haar toe.

„Zou hij 't gezien hebben?' vroeg Clara.

„Natuurlijk," antwoordde Sjors, „hij kwam al maar soo met s'n hoofd...." en Sjors knikte en grijnsde zoo hartelijk als een hunkerende bruid het van haar bruigom slechts verlangen kan.

„Hij draait...." zei Clara, die geen oog afliet van de vliegmachine, „Hoe lang duren die tochten?"

„Tien minuten.... de helft is al om," sprak Sjors.

„Nu gaat hij achter de meelfabriek," zei Clara, die op haar armbandhorloge had gekeken.

„Sie je 'm dadelijk aan den anderen kant weer foor den dag komen," sprak Sjors.

't Geronk van den motor verzwakte even.

„Kom," sprak Sjors, „nou gaan we daar weer staan, hierop 't feld is gevaarlijk, as-ie per ongeluk uit s'n koers raakt soo meteen."

Clara liep mee, keek telkens om naar de meelfabriek, of de vliegmachine nog niet weer verscheen.

„O, Claartje, wat zal die bruigom van jou zeeziek zijn," plaagde Coos.

„Hou maar odeklonje bij de hand," riep Tine, „niewaar Karei?"

Sluiten