Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zwijgt ervan," sprak deze, die weer geheel was bijgetrokken, „tjonge, wat was ik katterig."

„ Ik zie hem nog niet," zei Clara, die al maar de meelfabriek in 't oog hield.

„Sebiet," verzekerde Sjors, „ik hoor hem al."

„ Ik hoor niks, hij gaat ver," sprak Karei.

„Och wet.... laat je ooren ripereeren," zei Sjors met iets ongeduldigs in zijn toon.

„Clara, hoe laat gaat jullie trein morgen?" vroeg Coos.

„Een uur tien," antwoordde ze, maar dan George aanziende sprak ze met iets angstigs in haar stem, „Ik zie hem nog niet...."

„Hij maakt s'n bocht grooter.... direkt sal je 'm sien...." antwoordde deze met een geruststellend gebaar en dan om af te leiden: „waar gaat de reis naar toe?"

„Naar Lugano....," antwoordde Clara.

„Gut, waar blijft dat ding nou?" riep iemand uit het publiek.

,,'t Is al bijna een kwartier....," sprak Clara met een haperende stem.

„God, m'n foorgevoel," fluisterde Tine angstig tot Coos.

„Wees toch stil....," fluisterde deze bevend.

Er kwam wat beweging in het publiek.

De helpers van den vlieger werden blijkbaar wat onrustig, keken en tuurden ook in de richting, vanwaar uit ze het toestel al hadden terug verwacht; een klom er boven op het tentje van den kaartverkoop, keek, het zonlicht afschuttend met zijn hand, haalde zijn schouders op.

„Verdikke, als-ie maar niet gevallen is," riep er een.

„Waarvoor, jó?"

„Nou, zoo lang blijft-ie toch nooit weg."

Sluiten