Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze wachtte even. „Johan!" Geen antwoord.

„Gossie," zei freule Grevelduin. „Stel je toch is voor, dat die brave Johan al weg is gewaaid, ee? Dan dwarrelt ie nou als een dor blad over een of ander weiland..., 't is zonde...."

„Begrijp ik niet,'" zei mevrouw Lebeu.

Ze stond op, keek in de corridor, zag nog juist hoe Johan met zijn halve bovenlijf uit het geopend raampje hing en met een uitdrukking van de grootste verbazing naar een dichte auto keek, die over den met den spoordijk paralel loopenden straatweg in de richting van Deventer reed. ,

„Johan!" riep mevrouw Lebeu nu met stemverheffing.

„Ja nicht," antwoordde de schuchtere neef, die zijn hoofd en wat er meer naar buiten stak, terugtrok in de corridor en dan op zijn nicht toetrad.

„Waar keek je naar?' vroeg mevrouw Lebeu met iets verwijtends in haar stem

„O nicht, ik hoorde zoo'n .vreemd geluid onder de wagen, net of er een wielas brak en daarom keek ik...."

„Wielas brak...?" herhaalde mevrouw Lebeu verschrikt.

„Dan dieraljeere me!" riep mevrouw Kapon.

„Zouen we niet aan de noodrem....?" kreet Betje Vis oprijzend.

„Ja, aan de noodrem!" riep ook haar zuster.

„Wat geeft het?" vroeg juffrouw Mandelbaum, die de ontsteltenis niet begreep, omdat ze Johan niet verstaan had.

„Wel potverdikke, 't is zonde dak 't zeg!" riep mevrouw Kapon hevig geagiteerd en verontwaardigd uit, „Wat

Sluiten