Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

twintig Deodaten, ik ben voor niemand thuis hoor^Groote hemel, wat een soesah!"

„Ik ga met je mee," sprak Trees, „Ik heb ook zoo'n gekookt gevoel en mijn armen en beenen zijn of ze aan draadjes hangen. De meisjes zijn nog even naar Clara gaan kijken, dus we hebben een prachtige gelegenheid om eens een paar uurtjes rustig op ons verhaal te komen."

En ze volgde haar man naar de achterkamer, die op den tuin uitzag.

De avond viel en daarbuiten stonden de kontoeren van boomen en heesters al verdoezeld in den schemer.

Trees stak den schemerlamp aan; het zachte lichtschijnsel gloeide warm achter den gebloemd zijden kap; dit licht verhoogde nog de stemming van rust in het Vertrek.

Van Berkel stopte zijn gouwenaar, zoog wat smakkend de eerste halen rook haar boven, waarbij in den kop een gezellig rood vuurtje opgloeide en weer verdoofde én liet zich dan met een zucht van welbehagen zakken ïn zijn leereh chesterfield, die bij den haard stond.

Trees ging tegenover hem zitten in een crapaud. : „Hè, hé...., die rust," sprak ze met een zucht van genot, „alle menschen weg..., géén soesah van één avondpartij. Wat is één mensch tóch dwaas om zich zóo gemakkelijk uit den sfeer van zijn dagelijksche knusse huiselijkheid té iaten rukken. Wil jë wel gélooven, dat ik in mijn hart Deodaat op 't oogenblik echt dankbaar ben?"

„Wonderlijk," zei van Berkel op zöo'ri zachten toon, dat het even leek, of hij half in den dut was.

„Wat is wonderlijk?" vroeg ze.

„Dat jullie vrouwen het welbehagen van de rust altijd moeten uiten in een stroom van woorden," antwoordde hij.

Sluiten