Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wij rooken geen pijpen," sprak ze een beetje vinnig, doch daar ze den wenk van haar echtgenoot zeer goed begreep, zweeg ze verder.

Het werd nu heel stil in de kamer; van Berkel trok met steeds grooter tusschenpoozen aan zijn pijp en vergat het ten slotte geheel, waarna de pijp zachtjes tusschen zijn vingers weggleed en met den kop op het vloerkleed belandde, waar hij in balans bleef staan tegen de leuning van den chesterfield: Trees had haar oogen gesloten, de eerst nog woest bruisende gedachtenstroom was tot rust gekomen; haar oogleden werden zwaar, even nog was ze aandachtig voor een plots opsnerpend snurkgeluid van haar man, dan soesde ze zalig weg in een sluimering zonder droomen.

Het plotseling opengaan van de deur deed beiden wakker schokken.

„O, daar sitte se," klonk Tine's stem.

„Wat is....?" schrok Trees, verward overeind komend.

„Ho.... wie daar?" zei van Berkel nog half in den dut.

Voor beider onklaren blik scheen het schemerduistere vertrek zich plotseling met menschen te vullen, en dat was in werkelijkheid ook bijna het geval.

Carolien, Agnes, Coos, Tine, Louis, George en Karei waren binnengekomen en voerden als achtste persoon een gesluierde dame met zich mee, die door Tine en Agnes gesteund, aan de armen dier dames langzaam naar voren schreed.

„Gutsjes.... Clara," zei Trees haastig opstaande. „Ja, ik ben het...," sprak deze met zwakke stem. „Kind," zei Trees, op condoleerenden toon, „och Carolien en Agnes, maken jullie eens licht."

Sluiten