Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Daar vallen ze haast allemaal over— hi hi — F

Ze liet de beide bezoeksters in een kamertje, gaf een paar stoelen; „moe komt sebiet" zei ze dan, waarna ze de dames alleen liet.

„Dat's d'r dochter," fluisterde mevrouw Kapon.

Suze knikte, met een benauwd gezicht. Het kamertje was nogal netjes aan kant er lag een zeil en een karpet op den grond, er stonden mahoniehouten meubelen, en boven de tafel hing een petroleumlamp met roode sierkaarsen. Er was een zwijgende kanarie in een kooitje. Het rook er wat muf* doch er viel niets te bespeuren, geen doodshoofden, opgezette beesten of griezelige prenten, die er gemeenlijk op berekend zijn de bezoekers al van te voren in een griezelstemming te brengen.

Het was alles zoo klein-burgerlijk mogelijk.

In de kamer was nog een tweede deur, die aanstond en blijkbaar toegang gaf tot een ander vertrekje.

„Zouen we lang moeten wachten?" vroeg Suze als ze even zwijgend gezeten hadden en onwillekeurig keek ze door het raam de stille straat op, waar ze eigenlijk verwacht had een file equipages en auto's te zullen aantreffen.

„D'r zal iemand voor zijn," meende mevrouw Kapon. „Hier tegenover is nog een kamer."

„Wat zal ik nu vragen?" zei Suze.

„Tja..., ik zou zeggen.... oftie net over jou denkt, as jij over zijn...."

Suze knikte.

„Zou ik vertellen van de vliegmachine, waarmee hij gevlucht is?"

„Nee...," zei mevrouw Kapon, „je mot dadelijk niet teveel zeggen, niet dat-ie vandaag eigenlijk zou trouwen

Sluiten