Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hm.... trouwen," peinsde de burgemeester alleen gelaten op de secretarie, „tjonge..., als het ingezetenen van Heivoorde waren, dan liet ik het uitstellen, maar nu..., de menschen komen er speciaal voor.... uit Deventer..., toch zeker 'n luchtje aan..., Sakkerloot, hoe verloopt zoo'n trouwplechtigheid ook weer..., een toespraak.... en dan knielen.... of nee, dat is in de kerk.... of toch?"

Een onaangenaam gevoel van onzekerheid, deed burgemeester Uilhof eenige malen achtereen slikken.

„Jazzus..., dat Lensvelt nu ook juist op zoo'n dag ziek werd!"

Over 't marktpleintje kwam Piet met zijn vader aan.

De veldwachter Kras, die een klein mannetje was met kromme beentjes en een dik hoofd, liep nog tamelijk vast; alleen zijn dikke uitpuilende oogen kregen al iets natfigs en zijn groote gele snor had al iets ingezogens, of er eenige malen aanklevende druppeltjes van waren afgelikt.

Zijn uniform bestond uit een grijslinnen broek met een roode bies er langs, een blauwe jas met nikkelen knoopen en zoo'n klein laag uniformpetje, waarmee de Hollandsche luitenants, omtrent veertig jaar geleden poogden indruk te maken op het vrouwelijk deel der natie.

„Móge burgemeester," zei Kras, een militair saluut makend, toen hij gevolgd door Piet de secretarie binnentrad.

„Morgen Kras," antwoordde de heer Uilhof, „ik heb je even laten roepen."

„Present burgemeester," zei Kras, het saluut herhalend, op den energieken toon, dien hem eigen werd, wanneer zijn blik zoetjes-aan beneveld raakte.

„Jawel..., het is vanmorgen trouwen."

„Mij bekend burgemeester!"

Sluiten