Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

effen..., hik...." Hij vloekte, spartelde met zijn kromme beentjes om uit den stoel te komen, waarin hij over de armleuning hoe langer hoe dieper was ingezakt, en dan tot Sjors, die lachend toezag: „Toe..., help me dan es..., dak dat loeder...."

Op dat oogenblik ging de deur der secretarie open en trad burgemeester Uilhof de raadzaal binnen.

Hij had zijn beroemde gekleede jas aan, zijn wit vest en toen hij een onberispelijke buiging naar de aanwezigen maakte, was het alleen de spartelende figuur van den dronken veldwachter, die de plechtigheid van het moment verstoorde.

Achter hem volgde Piet, die de papieren droeg.

„Hm...," deed de burgemeester, een wat onzekeren blik op Kras werpend, die vergeefs poogde overeind te komen en telkens als hem dit bijna lukte, van Sjors weer een zetje kreeg, dat hem terug deed vallen. „Hm..., veldwachter, je kunt de deur openzetten...."

,,'t Sal nie gaan!" lachte Sjors, die Kras bij zijn kromme beentjes had gepakt en hem zoo heelemaal naar beneden drukte, „maar sal ik het doen? Ik bin froeger hulpsmeris geweist an de Ouwe Brug."

„Ik wil d'r uit!" brulde Kras.

„Schiet op," zei Louis ongeduldig tot Sjors.

De burgemeester trad nu op den spartelenden veldwachter toe, wendde met behulp van Piet den stoel om, boog hem voorover en zoo gleed Kras van zelf hevig vloekend en tierend op den grond.

„Nou optille," zei Sjors en de daad bij 't woord voegend nam hij het dronken kereltje onder de armen en zette het op zijn beenen.

„Barbaren....!" brulde Kras, buiten zich zelf van woede.

Sluiten