Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat publiek nog mengden twee dames, een kolossale met een hoogrood gelaat en een boezem waar veel steenen op flonkerden en een bleeke, tengere, jeugdig gekleede, die zoo bleek zag, of ze op punt was om in zwijm te vallen en zich blijkbaar daarom uit voorzorg hevig vastklemde aan haar dikke gezellin.

Ineens kuchte de burgemeester, zette een lorgnet op, riep: „Stilte!" sloeg dan met den voorzittershamer op de tafel en zei: „Ik open de vergadering!"

„Wablief?" ontviel van Berkel.

„Pardon?" vroeg de burgemeester.

„Nee..., niets, gaat uw gang maar," zei van Berkel, bedenkende, dat het mogelijk Heivoordsch gebruik was om een huwelijksvoltrekking met die woorden in te leiden.

„Hm," deed nu de burgemeester en dan het bruidspaar aankijkend vroeg hij op krachtigen toon:

„Is u Deodaat de Jong?"

„Jawel," antwoordde deze.

„En u.... Clara, Everdine van Heldenaer?"

„Ja," fluisterde Clara.

„U heeft het voornemen te kennen gegeven om met elkaar in het huwelijk te treden, nietwaar?"

„Leve 't bruispaar..., hiep, hiep....!" riep Kras eensklaps, zijn stok zwaaiend, en blijkbaar in de meening, dat de zaak al afgeloopen was.

't Publiek juichte en joelde.

„Ssst!" beval de burgemeester.

„Sel ik dat kromme gedrochie eefe buite in de goot legge?" bood Sjors aan.

Maar de orde was al weer hersteld, de burgemeester herhaalde de vraag, waarop Deodaat en Clara beiden bevestigend knikten.

Sluiten