Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

In ruil voor de afschaffing der pantjèndiensten ten behoeve der Inlandsche Ambtenaren is in 1882 een belasting „Hoofdgeld" genaamd, ingevoerd ten bedrage van ƒ 1.-— per jaar.

De opbrengst was aanvankelijk bestemd om de schadeloosstellingen der Inlandsche Hoofden voor de hun ontnomen pantjèns te bekostigen, maar bleek weldra veel hooger te zijn dan daartoe vereischt werd. n dientengevolge werd dit overschot in 1887 bestemd om" ook andere heerendiensten door vrijen arbeid te vervangen.

De gunstige resultaten van dezen maatregel leidden tot eene herziening, ten einde het bedrag zoo noodig te verhoogen, het totaal naar gelang van de meerdere of mindere welvaart over districten en desa's om te slaan en den omslag binnen de desa's te regelen.

Het hoofdgeld wordt geheven van alle heerendienstplichtige inboorlingen op Java en Madoera, uitgenomen in de Vorstenlanden, op de particuliere landerijen en in het onderdistrict Buitenzorg; het strekt tot tegemoetkoming in de uitgaven van den Lande, veroorzaakt door de geleidelijke vermindering van heerendiensten.

De opbrengst in elk gewest was aanvankelijk uitsluitend bestemd voor de afschaffing van heerendiensten binnen hetzelfde gewest; zoodra de economische toestand der bevolking zulks scheen te gedoogen, zou derhalve aldaar eene nieuwe inkrimping plaats hebben.

Vermindering van heerendiensten moest voortaan gelijken tred houden met de meerdere opbrengst van het hoofdgeld. Een onderzoek leerde dat toenmaals

Sluiten