Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1. de gehuwde werkbare mannen;

2. weduwnaars, in het bezit van een bij hen in-i wonende ongehuwde, meerderjarige dochter of ongehuwden werkbaren zoon;

3. een der ongehuwde werkbare zoons inwonende bij hun moeder, weduwe, of bij hun niet werkbaren vader, tenzij ook een gehuwde werkbare zoon of schoonzoon, heerendienstplichtig krach-, tens sub 1, de woning deelt.

Als bezittere van bouwgrond in den zin van artikel 1 § 1 der ordonnantie in Staatsblad 1915 No,,21 worden aangemerkt zij, die sawahs of droge bouwgronden in erfelijk individueWj bezit hebben of eenig ander recht daarop uitl oefenen, dan wel gebruikers zijn van een aandeel in gemeentelijk bezeten sawahs of drogi bouwgronden.

Het bepaalde bij de vorige'alinea geldt m.m. mede voor het bezit van vischvijvers, erven of o***' tuinen. Onder deze laatste uitdrukking worden

in de residentie Pasoeroean ook verstaan nipahl en remboeloengbosschen en monosoekokoffietuinen, voor zoover niet aangelegd ter vervanging van gedwongen aanplant en in de residentie Sofl rabaja ook de nipahbosschen (Bijblad No. 8211, art. 1).

Staatsblad zijn heerendienstplichtig:

1916 No. 66. a. in de residentie. Preanger-Regentschappen: de be. zitters van bouwgrond, vijip.«r <(sitoe), erf of tuin; I

b. in de residentie Banjoemas: de bezitters van bouw-

3. een der ongehuwde werkbare zoons inwonende bij hun moeder, weduwe, of bij hun niet werkbaren vader, tenzij ook een gehuwde werkbare zoon of schoonzoon, heerendienstplichtig krachtens sub 1, de woning deelt.

tuinen. Onder deze laatste uitdrukking wordenl

Sluiten