Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En wanneer het daarop aangaat, heeft, zonder eenig voorbehoud, bezuiniging de beteekenis van aftakeling, van het brengen op een lager niveau van den tak van dienst. Als dat noodig is, om den toestand te redden — en daar is geen twijfel aan, het financieel evenwicht in het budget dér gewone uitgaven moet binnen één, twee jaren zijn bereikt —, als het-noodig is, moet ook daartoe worden besloten. Maar dan is het de harde daad van besnoeiing, van bekrimping, die aan

de orde is, en dan moet het ook vaststaan, dat in de eerste plaats de Staten-

Generaal bereid zijn om op dien weg de Regeering te volgen". Het verwijt aan de Kamer in het slot van deze zinsnede was zeker niet onverdiend, want inderdaad dat college heeft ook in een bezuinigingstijdperk de eigenaardige gewoonte in het algemeen op zuinigheid aan te dringen en tegelijk op een aantal bijzondere punten maatregelen te vragen, die onvermijdelijk uitzetting van uitgaven ten gevolge hebben. Maar wat men in de rede van den Minister mist, is de overtuiging dat bezuiniging in den geest van besnoeiing ook van het op zich zelf wenschelijke niet langer uitstel duldt. Het initiatief daartoe kan niet van de Kamer maar moet van de Regeering uitgaan. Bij haar moet die overtuiging zoowel in Indië als in Nederland levendig worden, zóó levendig dat men niet slechts hun, die wijzen op de noodzakelijkheid van tijdelijke inkrimping der Staatshuishouding met mooie woorden in het gevlei komt, maar den moed en het verantwoordelijkheidsbesef toont om „de harde daad" die, jammer genoeg, door den feitelijken toestand verlangd wordt, ook te volvoeren.

In de Eerste Kamer hamerde o.a. de heer Jdenbürg op hetzelfde aanbeeld door te zeggen: „Wij moeten niet op zaken, die rechtstreeks de volkswelvaart raken; bezuinigen, maar wij moeten ons thans niet vleien, dat de credietwaardigheid van Indië ongerept zal blijven, wanneer wij niet met alle kracht, ook desnoods met terzijdelating van het noodige, er naar streven het budget sluitend te maken." (Handelingen 1921—22, bl. 553) Des Ministers antwoord was aan die zijde van het Binnenhof krachtiger van toon: „In eiken tak van dienst zal niet alleen menig toekomstbeeld vöorloopig moeten worden opgeborgen, maar ook in menig opzicht een stap terug moeten worden gedaan en zullen eischen, die onder betere tijdsomstandigheden voor geen beperking vatbaar schenen, voor matiger en minder kostbare voorzieningen moeten worden ingeruild." (t. z. p. bl. 581.)

Er valt dus te constateeren, dat de Minister tusschen December 1921 en April 1922 tot een somberder en, naar mij voorkomt, meer met den feitelijken toestand strookende overtuiging op het stuk der noodzakelijkheid van bezuiniging is gekomen. Het is te hopen dat ook de Gouverneur-Generaal thans minder optimistisch is geworden dan hij een jaar geleden, blijkens zijn openingsrede van den Volksraad, uitgesproken in Mei 1921, was. „Alleen hetgeen overbodig is, hetgeen niet werkelijk noodig is, blijve achterwege; hetgeen te weelderig is opgezet, worde ingekrompen en beperkt, hétgeen zonder ernstig, bezwaar voor uitstel vatbaar is,

Sluiten