Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13. Praktisch gevolg van die niet-toepasselijkheid.

volgt, dat ze ook in den zin waarin het woord in de theorie en de praktijk der belastingheffing wordt gebruikt, geen draagkracht hebben of hebben kunnen. Ze leven voor anderen en geven winsten, opbrengsten aan anderen, die daardoor in staat worden gesteld of mede in staat worden gesteld hun eigen maatschappelijk leven overeenkomstig hun draagkracht te leven. Te spreken van de draagkracht van een naamlooze vennootschap, zooals gebeurt in de stukken die over Indische belastingen werden gewisseld1), is een contradictio in terminis. Van een stuk weiland dat opbrengsten oplevert, spreekt men ook niet van de draagkracht, en de vennootschap staat met het stuk weiland in dit opzicht op één lijn.

Men meene niet, dat men hierbij alleen met een theoretische onderscheiding zonder praktische beteekenis te doen heeft. Het tegendeel is waar. Men moet deze theoretische onderscheiding voorop zetten, en mag haar geen oogenblik vergeten, wanneer men belastingen van natuurlijke personen en belastingen van vennootschappen met elkaar vergelijkt. Indien de vennootschap, gelijk inderdaad het geval is, geen eigen draagkracht heeft, volgt hieruit al aanstonds, dat dus ook bij belastingheffing van deze instelling van belasting naar draagkracht geen sprake kan zijn, en dat progressieve heffing van vennootschappen naar analogie van de progressieve inkomstenbelasting van natuurlijke personen, een maatregel is zonder gezonden grondslag. Indien van vennootschappen een progressieve belasting wordt geheven, moet die op een geheel anderen grondslag rusten. Met een beroep op den eisch van belasting naar draagkracht kan men zulk een progressie noch verdedigen, noch rechtvaardigen. Dit werd ook erkend door een zoo bij uitstek deskundig financier als de heer v. Niekop bij de behandeling van het ontwerp der Indische inkomstenbelasting 1908 in de Eerste Kamer. „Bij de naamlooze vennootschappen kan van het brengen van offers en ook van draagkracht geen sprake zijn. Bij draagkracht wordt gedacht aan een persoonlijk element." (Handelingen Eerste Kamer 1907—'08, bl. 94).

Een enkel voorbeeld moge de beteekenis van deze theoretische beschouwing nog verduidelijken. Gesteld men heeft twee vennootschappen; vennootschap A maakt slechts 6 °/0 winst; vennootschap B daarentegen 60 % winst over haar kapitaal. In vennootschap A heeft een multi-millionnair de meerderheid der aandeelen. In vennootschap B heeft een arme weduwe, die van een pensioentje leven

i) Zie bijv. Bijlagen Handelingen v. d. Volksraad, le gewone zitting 1919, stuk 34 (a) M. v. A. Begrooting 1920, bl. 12: „De Regeering beaamt ten volle, dat men bjj een stelsel van uitvoerrechten hetwelk in hoofdzaak zal zijn gebaseerd op het beginsel van heffing naar glijdende schaal, op sterke schommelingen moet zijn voorbereid, doch uit een oogpunt van belasting naar draagkracht, acht zij dit een van de verdiensten van den opzet. Trouwens ook bij een inkomstenbelasting, in het bijzonder bij die naar de winst en overwinst, doen dergelijke schommelingen zich voor, indien in de regeling het beginsel van belasting naar draagkracht voldoende tot zijn recht komt."

Sluiten