Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moét, een aandeel van f 1000.—, dat haar bij de boedelscheiding voor 500 pCt. werd toebedeeld. Nu is het toch met het meest elementaire gevoel van recht en rechtvaardigheid in strijd, op grond van draagkracht de winst, die de multimillionnair uit zijn vennootschap trekt, bij de bron slechts met enkele, en die wélke de arme weduwe beurt, met tientallen procenten te treffen, zelfs al houdt men geen rekening met het feit dat het dividend van de weduwe, gerekend over hetgeen het aandeel haar kostte, niet tienmaal maar slechts tweemaal grooter is dan dat van den millionnair. Ik stel hier in dit voorbeeld met voordacht uitersten tegenover elkaar, maar ieder zal wel moeten erkennen, dat in de werkelijkheid deze uitersten zijn te vinden en dat daartusschen een onnoemelijk aantal schakeeringen bestaat, waarin de ongerijmdheid van de zoogenaamde belasting naar draagkracht van naamlooze vennootschappen telkens opnieuw uitkomt.

De vennootschapsbelasting rust — gelijk ik hieronder nader betoog —op anderen grondslag dan de belasting naar draagkracht van physieke personen; en wie progressie in de vennootschapsbelasting verdedigen wil, moet dus eveneens naar een anderen rechtsgrond daarvoor zoeken.

Evenmin als de naamlooze vennootschap draagkracht heeft, in den zin waarin deze term in het belastingrecht gebruikt wordt, evenmin heeft zij een inkomen. Over het begrip „inkomen" bestaat, wat de bijzonderheden betreft, tusschen de beoefenaars van de Staathuishoudkunde nogal verschil van gevoelen. Vooral de Duitsche economisten hebben verschillende onderling eenigszins afwijkende definities daarvoor gegeven. Voor de belastingheffing is het van groote beteekenis, wat onder „inkomen" is te verstaan. Sommige buitenlandsche wetten op inkomstenbelastingen stellen een definitie van het inkomensbegrip voorop; de meeste dier wetten onthouden zich daarvan, evenals de Nederlandsche Wet op de inkomstenbelasting en de Ordonnantie voor Nederlandsch-Indië. De laatste wetten trachten tot het inkomen te geraken door samenvoeging van de inkomsten uit verschillende bronnen, onder aftrek van rente van schulden en enkele andere lasten, die ter verkrijging van het zuivere inkomen in mindering worden toegelaten. Bij deze methode, die op zichzelf verklaarbaar en praktisch is, komt niet zoo aanstonds aan het licht, dat de vennootschap, die niet een eigen levensdoel heeft, maar alleen bestaat ter wille van de aandeelhouders, wel inkomsten en uitgaven heeft, zoodat men op overeenkomstige wijze als voor de natuurlijke personen tot een saldo kan komen, maar dat toch hier slechts zeer oneigenlijk van inkomen kan worden gesproken.

Men gebruikt het woord „inkomen" ook wel in meer algemeenen zin, b.v. wanneer men spreekt van het volksinkomen, waarmede dan bedoeld wordt, de som van de inkomens der verschillende leden; maar met dergelijke verzamelbe-

14. De naamlooze vennootschap heeft geen Inkomen.

Sluiten