Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grippen heeft de belastingwetgever niet te maken. Voor hem zijn alleen de afzonderlijke individueele inkomens van belang, en wel uitsluitend de geldswaarde van die inkomens, ook al wórden zij geheel of ten deele in natura getrokken. Voor de belastingheffing kan men nu het inkomens-begrip met voor haar doel voldoende nauwkeurigheid definieeren, als de op geldswaarde te stellen som van de goederen, die periodiek, b.v. jaarlijks, den rechthebbende toevloeien, en die hij kan verteren zonder aantasting van de bron of de bronnen, waaruit die toevloeiing geschiedt.

Overeenkomst nu tusschen het inkomen van de natuurlijke personen en het zoogenaamde inkomen van vennootschappen bestaat er in zooverre, dat er bij beide, — indien er geen verlies is geleden — een periodiek netto-saldo is, dat kan worden besteed, zonder de bron, d.w.z. bij de naamlooze vennootschap het kapitaal, aan te tasten. Maar naast deze overeenkomst is er een verschil van grooter beteekeniSj n.1. dat de naamlooze vennootschap, juist omdat ze geen eigen levensdoel heeft, niets verteert en niets verteren kan, maar het saldo van inkomsten en uitgaven, dus haar winst, distribueert onder degenen, die daarop krachtens de statuten recht hebben, opdat het voor dezen een deel van hun inkomen uitmake, en door hen kan worden verteerd.

Dat de naamlooze vennootschap in het belang harer aandeelhouders niet steeds al haar winsten verdeelt, en dat de aandeelhouders zelve, evenals andere physieke personen niet steeds hun geheele inkomen verteren, doet aan de zaak niets af. Waar het op aankomt, is alleen dit : of er een natuurlijke-of rechtspersoon is, die krachtens haar eigen levensdoel eigen behoeften heeft, en dus ook een jaarlijks weerkeerend fonds noodig heeft om aan die behoeften te kunnen voldoen. Dit nu is het geval in de eerste plaats met natuurlijke personen, in de tweede plaats met rechtspersonen als openbare lichamen, privaat-rechtelijke vereenigingen en stichtingen, maar niet met de naamlooze vennootschap. Deze kan blijven bestaan, en jaren achtereen haar doel blijven nastreven, zonder eenig overschot van inkomsten boven uitgaven. Wanneer zulk een toestand zich in de praktijk voordoet (en dat is maar al te dikwijls het geval) lijdt niet de vennootschap zelve daaronder. Wie er door getroffen worden, zijn haar aandeelhouders en de andere rechthebbenden op een deel van de winst. Zelfs als er verliesjaren achter elkander volgen, behoeft dat het bestaan van de vennootschap nog niet steeds in gevaar te brengen en wordt het bedrijfsverlies niet vergroot door de noodzakelijkheid van een daarbuiten liggende behoefte-bevrediging. Bij den individueelen zakenman is het anders. Wanneer deze eenige jaren met verlies werkt, zal de bron, waaruit hij zijn inkomen trekt, niet alleen verminderd worden met dat verlies, maar bovendien nog met het bedrag, dat hij jaarlijks noodig heeft, om aan zijn behoeften te voldoen. Hieruit blijkt het verschil wel ten duid@lijkste.

Sluiten