Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vaak worden die belastingen principieel veroordeeld, omdat zij met de draagkracht der ingezetenen geen rekening houden. Maar zij die dit standpunt innemen, durven de consequentie van hun eigen theorie niet aan. "Wie van elke , belasting op zich zelve verlangt, dat zij naar draagkracht wordt geheven, moet | niet alleen de verponding en de vennootschapsheffingen over boord gooien, maar j moet ook het zegelrecht, de accijnzen en de invoerrechten (om van de algemeen veroordeelde uitvoerrechten niet eens te spreken) datzelfde lot doen ondergaan. Dit zou er toe brengen dat men, consequent doorredeneerende, alleen de (eigenlijk gezegde) inkomstenbelasting als impöt unique zou overhouden. Dit nu is overal praktisch onmogelijk, omdat men ook bij dè heffing eener theoretisch voorbeeldig ingerichte inkomstenbelasting slechts met eenige van de veelheid der factoren, die de draagkracht bepalen, rekening kan houden en dan nog slechts gebrekkig. Ook de inkomstenbelasting drukt onvermijdelijk ongelijkmatig; hoe hooger nu het heffingspercentage in die belasting moet worden opgevoerd, hoe ernstiger ook de ongelijkmatigheden worden.

Verdeeling van den belastingdruk over een samenstel van ongelijksoortige heffingen is uit dien hoofde onvermijdelijk. Daarbij dient intusschen steeds in het oog te worden gehouden, dat het resultaat van die heffingen te zamen genomen aan den eisch der belasting naar draagkracht zoo goed mogelijk behoort te voldoen en dat het in geen zijner onderdeelen het rechts- en billijkheidsgevoel der contribuabelen kwetsen mag. Dit brengt er eiken belastingheffer toe, het volksinkomen niet uitsluitend te treffen bij de individueele ingezetenen, die er hunne uitgaven mede bestrijden, maar ten deele ook bij de verschillende bronnen van inkomst, m.a.w.'telkens waar winsten worden gemaakt of waar in het algemeen geacht kan worden dat dit het geval is. Daarin ligt de rechtsgrond van verkeersbelastingen als de zegelrechten en ook van rechtstreeksche heffingen van instellingen wier doel is winst te maken voor bij hun bedrijf betrokkenen.

Afgezien van den aanstonds aan te geven specialen rechtsgrond voor de vennootschapsbelasting, zou ook de vennootschap onder firma en de afzonderlijk werkende ondernemer in eene zakelijke bedrijfsbelasting, welke met de vennootschapsbelasting correspondeert, moeten worden aangeslagen. Doch men is nog niet geslaagd in het vinden van een belasting-technisch deugdelijk middel om dezen eisch der gelijke behandeling in praktijk te brengen. Ware dit anders, dan zouden de verschillende belastingheffende staten, vooral onder de tegenwoordige omstandigheden, afgezien nog van alle theoretische overwegingen, niet geaarzeld hebben, het aan te grijpen.

Het principieele bezwaar dat met grond tegen eene vennootschapsbelasting kan worden aangevoerd is niet dat zij geen rechtsgrond heeft of eene indirecte dubbele heffing van de erbij betrokkenen zijn zou, maar wel dat zij onvolledig is en ook uit

19. De rechtsgrond der vennootschapsbelasting.

Sluiten