Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dezen hoofde èn op billijkheidsgronden èn uit zuiver praktische overwegingen binnenmatige grenzen behoort te worden gehouden.

Intusschen is er een bijkomende rechtsgrond voor de vennootschapsbelasting, die wel niet krachtig genoeg is om haar geheel alleen te dragen, maar die toch den zooeven aangewezene steunt. Deze is niet toepasselijk op den afzonderlijk werkenden ondernemer noch op de vennootschap onder firma. De naamlooze vennootschap wordt rechtens erkend als een zelfstandig persoon; zij ontleent haar rechtspersoonlijkheid aan den Staat. Hierbij heeft deze de belangrijke onderscheiding gemaakt, dat zij die een vennootschap onder firma vormen (de firmanten) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verbintenissen der vennootschap, maar dat daarentegen zij die een naamlooze vennootschap vormen (de aandeelhouders) voor de verbintenissen der vennootschap niet verder aansprakelijk zijn dan voor het bedrag van hun aandeel, m.a.w. niet meer dan hun aandeel (of aandeelen) kunnen verliezen. (Bij de coöperatieve vereeniging staat de zaak wel eenigszins anders, maar ook hier kan bij de statuten de aansprakelijkheid der leden worden beperkt).

In de Memorie van Toelichting bij de Indische begrooting voor het jaar 1908 drukte Minister Fock deze gedachte op eenigszins andere wijze uit. Die bewindsman voerde daar (op bl. 42) ter verdediging van de vennootschapsbelasting aan, dat zij „gerechtvaardigd is door het feit dat het door deelneming in een lichaam met rechtspersoonlijkheid, mogelijk is op zeer voordeelige voorwaarden, immers door de beperkteaansprakelijkheid der aandeelhouders, mede in de winsten te deelen, die landbouw, handel en industrie afwerpen." En toen dit in het Voorloopig Verslag werd bestreden, antwoordde de Minister met het stellen Van de vraag „ of er geen aanleiding is voor belastingheffing, wanneer de bezitters van kapitaal, waar ook gevestigd, in staat worden gesteld om, door samenwerking maar zonder veel risico voor eiken deelnemer op zich zelf, ondernemingen in het leven te roepen, waarvoor individueele krachten te kort zouden schieten en op die wijze winsten te behalen, die de individueele winsten somtijds ver te boven gaan." (M. v. A. bl. 61).

Juist in de beperking der aansprakelijkheid van de aandeelhouders in de naamlooze vennootschap ligt de verklaring van het feit dat grootere ondernemingen allengs meer in den vorm der naamlooze vennootschap worden gegoten. Waar deze haar geschiktheid voor haar taak dus ontleent aan de door het recht gesanctionneerde en aan den Staat te danken beperking der aansprakelijkheid van hen die haar kapitaal bijeenbrengen, ligt hierin een bijkomstig motief voor het doen bijdragen van de vennootschap in de lasten van den Staat. Intusschen vergete men ook in belastingzaken niet, dat de naamlooze vennootschap harerzijds krachtig heeft bijgedragen tot de zoo merkwaardige economische ontwikkeling in de 19e en 20e eeuw en dat men een der pijlers van de moderne maatschappij zou aantasten, indien men haar doemde tot een kwijnend bestaan.

Sluiten