Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

h

n i(

c

.d I

c c c (

I

1

1

(

]

I

21. De vreemde ondernemer en de ontwikkeling van het land.

Bij de oorlogswinstbelastingen, conjunctuurwinstbelastingen bij uitnemend eid, heeft men er dan ook nergens aan gedacht, deze alleen te heffen van de aamlooze vennootschappen. Een conjunctuurwinstbelasting moet althans pogen ïder te treffen die conjunctuurwinsten maakt. Een belasting, die een deel dier elukkigen uitpikt, omdat hij ze gemakkelijk te pakken kan krijgen, en het andere eel laat loopen, veroordeelt zich zelf. Ook met den door den heer van Nierop in et geding gebrachten rechtsgrond komt men er derhalve niet.

De argumenten, die wij zooeven bij de bespreking van de rechtsgronden waarop ie vennootschapsbelasting steunt, in het midden brachten, kunnen hier geen iienst doen. De naamlooze vennootschap heeft, waar het op het maken van onjunctuurwinsten aankomt, niets hoegenaamd voor boven den particulieren •ndernemer en de vennootschap onder firma; veeleer het tegendeel. Conjunctuurminsten worden veelal — hoewel zeker niet uitsluitend — op speculatieve basis jemaakt en met speculatieve koopmanszaken laat de goed geleide vennootschap ;ich niet in. Natuurlijk profiteert ook deze van gunstige veranderingen in de narkt en lijdt zij mede van de ongunst er van. Maar dit neemt niet weg — en lit heeft de oorlogstijd genoeg bewezen — dat de particulier en de gelegenheidscoopman heel wat gemakkelijker conjunctuurwinsten maakt (en ze vaak ook heel vat gemakkelijker kwijtraakt) dan de naamlooze vennootschap. Het uitpikken ran deze laatste bij de heffing eener conjunctuurbelasting is dan ook niet op goede gronden te verdedigen.

Intusschen moet worden erkend, dat de belastingplichtigen over het algemeen voor de onderscheidingen waarom het hier gaat, niet bijster veel gevoelen. Wanneer de progressieve heffing van naamlooze vennootschappen binnen matige grenzen beperkt blijft, komt deze weinig of niet in strijd met hun rechtsgevoel. De beteekenis van deze erkenning wordt echter tenietgedaan door de vele en vrijwel onoverkomelijke moeilijkheden welke de progressieve vennootschapsbelasting met zich brengt. Een heffing die theoretisch niet behoorlijk te rechtvaardigen en technisch niet behoorlijk te regelen is, mag niet worden gehandhaafd.

Na deze grootendeels theoretische beschouwing, die ik: ook hierom invlocht om niet verdacht te worden van'mij te willen aansluiten bij hen die de vennootschapsbelasting principieel verwerpen, keer ik terug tot de verklaring waarom de zakelijke bedrijfsbelasting in een koloniaal land een relatief grootere plaats in het samenstel der belastingen innemen moet dan in oude landen. In landen als Indië zQn het eigen kapitaal, de eigen ondernemingsgeest en de technische en handelskennis der inlanders voorshands geheel onvoldoende om de natuurlijke hulpbronnen van het land te kunnen exploiteeren en door die exploitatie de voorwaarden te scheppen voor het allengs stijgen van den levensstandaard der bevolking, en, in het algemeen gesproken, voor allengs hoogere ontwikkeling

Sluiten