Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hare bevolking, zoolang deze in zichzelf niet kapitaalkrachtig genoeg is, afhankelijk is van de blijvende toestrooming van vreemd kapitaal. Indien de belastingheffer op de vennootschappen zulk een zwaren druk zou leggen, dat het voor ondernemers uit Westersche landen geen belang meer hebben zou, hun kapitaal en hun energie in de kolonie te wagen, zou de fiscus daardoor niet alleen een der hoofdbronnen van zijn eigen inkomen doen opdrogen, maar bovendien de onmisbare voorwaarde voor hoogere ontwikkeling van de bevolking aantasten. Op dit gevaar werd herhaaldelijk en van allerlei kanten gewezen. De heer Gerritzen deed het in de vergadering van den Volksraad van 14 Juli 1919 (Handelingen, bl. 589) in de volgende woorden: „Indië heeft voor zijne verdere ontwikkeling de toestrooming van nieuw kapitaal en Westersche intellectueele krachten broodnoodig. Gaat men nu de voorwaarden, waaronder hier te lande het vreemde kapitaal en het vreemde intellect moeten werken, belangrijk verzwaren, dan spreekt het van zelf, dat hierdoor een dam tegen de noodige toestrooming van het vreemde kapitaal en de daarmede gepaard gaande toestrooming van vreemd intellect wordt opgeworpen, zeer ten nadeele van Indië 's verdere ontwikkeling.

„Deze meening wordt uitgesproken door de commissie van advies voor handelsaangelegenheden in het door haar-aan de Regeering uitgebracht advies omtrent de voorgenomen heffing van uitvoerrechten.

„Nu moge de Regeering in hare Memorie van Antwoord wel zeggen, dat in de komende jaren overal ter wereld tot eene zeer zware belasting van alle in verhouding groote kapitaalwinsten zal worden overgegaan, doch, daargelaten dat de vergelijking tusschen Indië, dat door den oorlog weinig, en de door de Regeering bedoelde landen, die door den oorlog zwaar geleden hebben, niet opgaat, zal voormelde omstandigheid er zeker niet toe kunnen leiden om het vreemde kapitaal williger te maken zich naar Indië te verplaatsen. Immers men kan als vaststaand aannemen, dat kapitaal zich niet naar den vreemde zal verplaatsen, tenzij het in de verplaatsing voordeel ziet; en wanneer nu de voorwaarden, waaronder het kapitaal hier moet werken, niet beter zijn dan elders, om welke redenen zal het kapitaal zich dan verplaatsen ?"

In denzelfden geest sprak de heer De Geer in de vergadering van de Tweede Kamer van 19 December 1919 (Handelingen 1919-20, bl. 1115) in verband met zijn critiek op de productenbelastingen, waarop ik in de volgende paragraaf terugkom: „Zulke geïmproviseerde uitzonderings-heffingen, als nu in Indië worden ontworpen, zulke pijltjes afgeschoten-op bepaalde industrieën, wekken weerzin, omdat men zich buiten het gemeene recht voelt geplaatst, geven aanleiding tot protesten, dempen den ondernemingsgeest, omdat men zich overgeleverd gevoelt aan een onrechtmatige behandeling en niet weet, hoever deze zal gaan. Dat schrikt het kapitaal af, ook het vreemde kapitaal, dat nog zoo noodig is om de

Sluiten