Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunnen dwingen in Indië te blijven en nog veel minder zou het nieuw buitenlandsch kapitaal kunnen dwingen naar Indië toe te komen, en zonder dat kan Indië het niet doen.

„Dat is misschien een heel akelig feit, maar niettemin een feit; en het is met deze onveranderbare feiten alleen, dat wij hebben rekening te houden." .

Geheel in denzelfden geest zeide de heer Dresselhuijs in de vergadering van de Tweede Kamer van 20 December 1921: „Wij moeten zorgen, dat niet verder het gerucht gaat, wat nu reeds gebeurt, ik zal niet zeggen terecht, zorgen dusvdat in het buitenland niet verder gepropageerd wordt het denkbeeld, dat de Indische Regeering tegenover de vreemdelingen en tegenover hen, die kapitaal in den Irtdischen bodem steken, een soort van roofpolitiek voert". (Handelingen 1921-22,

b1-1206) 'è a

Zelfs de socialisten" - zoo sprak de heer van Vuuren op denzeltden dag -

„kunnen toch niet tegenspreken, dat Indië, om tot ontwikkeling en bloei te komen, zelfs om dit op geestelijk terrein te kunnen doen, kapitaal noodig heeft. Dit kapitaal komt niet voor het mooie land, niet om te helpen, maar komt, omdat het winst hoopt te maken. Wanneer het dit niet kan, wanneer het voordeehger emplooi elders vindt, gaat het Indië voorbij. .Deze ramp moet men Indië besparen.

„Daarom geloof ik, dat de Minister verstandig doet om bij zijn belastingpolitiek met de mogelijkheid, die ik hier noemde, te rekenen." (t. z. p. bl. 1213).

Hiertegenover worden ook wel stemmen gehoord, als zou het vreemde kapitaal in Indië worden bevoorrecht. Zoo merkte de heer Sastrowidjono in de vergadering van den Volksraad van 14 Juli 1919 op (Handelingen bl. 599), dat indien aan dat kapitaal, omdat het Europeesch is, een bijzonder bevoorrechte plaats moet worden gegeven, laat het dan maar in Europa blijven. Een dergelijke voorwaarde riekt naar exploitatiepolitiek en daarheen keeren wij niet meer terug. Dan zullen wij liever ons zelf helpen en dan moet, als het met anders kan, de ontwikkeling van Indië in Gods naam maar wat langzamer gaan".

Verder nog ging de heer Cramer, toen hü in de vergadering van den Volksraad van 18 December 1919 (Handelingen, bl. 553) zeide: „Nu wil ik niet ontkennen, dat in een betrekkelijk kapitaal-arm land als Indië het kapitaal niet zoo zwaar mag worden belast als elders, maar uit de vergelijking van de belastingpercentages in verschillende landen blijkt wel, dat men in Indië niet te klagen heeft en de Indische Regeering zeker nog veel verder kan gaan zonder het groot-kapitaal af te schrikken. Indië is op dit oogenblik nog een veel te voordeelig beleggingsveld

voor het kapitaal". . .

Wat hiervan in 1919 moge geweest zijn, thans is het zeker niet meer juist. Integendeel door de in 1921 ingevoerde belastingen heeft de NederlandschIndische fiscus de grens reeds overschreden. Dit blijkt uit een aantal uitlatingen, waarvan ik er hier slechts enkele wil opnemen, die ter waarschuwing aan de

Sluiten