Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tegen de hier bedoelde heffingen moet al aanstonds worden opgemerkt dat, aangezien zij slechts de producten van bepaalde takken van bedrijf treffan, zij reeds daardoor alleen met den eisch van gelijkmatigheid in den op de verschillende belastingplichtigen te leggen druk in strijd komen. Al zijn deze heffingen, even goed als de rechtstreeksche belastingen der naamlooze vennootschappen, van zakelijken aard, en al treffen zij slechts indirect de rechthebbenden op de winsten in de vennootschappen waarop zij drukken, neemt dit niet weg, dat de vennootschappen die andere producten ter markt brengen, en dus ook de aandeelhouders in die vennootschappen, vrijgesteld zijn van de heffingen, welke indirect de aandeelhouders treffen in vennootschappen, die de belaste producten voortbrengen. Door deze belastingen wordt .dus weliswaar geen privilege in belastingzaken geschapen in den zin van de Grondwet, maar toch wordt door het niet algemeen zijn daarvan, onderscheid gemaakt'tusschen verschillende belastingplichtigen, die in verband met doel en strekking der producten- en uitvoerbelastingen op gelijken voet behoorden te worden behandeld.

Scherp maar zakelijk en billijk werd deze wijze van belastingheffing gegeeseld door den tegenwoordigen Minister van Financiën, den heer De Geer, in de vergadering van de Tweede Kamer van 19 Dec. 1919 (Handelingen 1919/20 bl. 1114/15). „In de Indische belastingpolitiek begint zich een streven te openbaren om de heffingen op stelsellooze wijze te versplinteren. Men gaat heil zoeken in het stuksgewijze belasten van één of meer met name genoemde industrieën, die tijdelijk goed schijnen te gaan .... Dit is even dwaas, als dat men bijv. in ons land een speciale winstbelasting ging heffen van de textielindustrie of de margarinefabricage of van Philips1 gloeilampen. Wanneer men dit ging doen, zou natuurlijk iedereen zeggen: dit is onredelijk en onlogisch; belast met inkomstenbelasting, oorlogswinstbelasting, dividendbelasting en wat ge meer wilt alle hooge winsten naar hartelust, maar doe het gelijk op; neem er niet enkele bedrijven uit, op wie ge speciale zware lasten legt, terwijl ge andere, die even hooge winsten maken, vrij uit laat gaan... 't Is een luk-raak-heffing, bijna van hetzelfde gehalte als wanneer men een belastingambtenaar het land inzond met de opdracht: neem van iederen zak geld, dien ge aantreft, een bepaald percentage af. Ook daarin zou zekere „eenvoud" liggen, maar tot een gelijkmatige distributie van lasten zou het niet voeren."

Vervolgens wees de heer De Geer er op, met een beroep op Pierson, Bos en P. L. Tak, dat „vrijwel de geheele Kamer in 1906 eenstemmig in haar oordeel (was), dat een productenbelasting een pis-aller was en alleen duldbaar en toelaatbaar, omdat de inkomstenbelasting er nog niet was. Nu is de inkomstenbelasting er wel ên nu schijnt het mij niet aanbevelenswaardig, tot dat vicieuze stelsel terug te keeren."

In de vergadering van 22 December 1919 zeide de heer van Vuuren dat hij het betoog van den heer de Geer grootendeels onderschreef en voegde hij den Minister

Sluiten