Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

centen niet de minste rekening houdt, tengevolge waarvan zij een zeer ongelijkmatigen druk uitoefent op de verschillende producenten, en bovendien de producenten treft, ook al maken deze geen winst. Een voorbeeld zal dit verduidelijken. Stel dat Robusta belast wordt met een recht van ƒ3.— per picol en dat de kostprijs van de meerderheid der Robusta-koffieondernemingen bedraagt ƒ18.— per picol; *) dan zijn er natuurlijk ook ondernemingen die door verschillende omstandigheden in een voordeeliger positie verkeeren en de koffie kunnen produceeren voor een kostprijs van ƒ16.— per picol. Naast deze categorie heeft men natuurlijk ook ondernemingen die in ongunstige omstandigheden verkeeren en niet kunnen produceeren beneden ƒ 20.— per picol. Bedraagt nu de verkoopsprijs van de koffie ƒ 23.— per picol, dan werkt het uitvoerrecht van ƒ3.— per picol in dier voege, dat de zwakste ondernemingen niets verdienen — hare geheele winst wordt dan geabsorbeerd door het uitvoerrecht —, terwijl de sterkste ondernemingen, namelijk zij die een kostprijs hebben van ƒ16 per picol, nog eene winst maken van ƒ 4 per picol. De druk van het uitvoerrecht is dus zeer ongelijkmatig en dat nog wel in dier voege, dat de zwaksten het zwaarst worden belast.. Nog erger wordt de situatie, wanneer de marktprijs daalt tot bij voorbeeld ƒ21 per picol. In dat geval lijden de zwakste ondernemingen verlies; de middelmatige ondernemingen spelen precies quitte, terwijl alleen de sterksten nog een geringe winst maken. Het spreekt van zelf, dat eene onderneming natuurlijk op den duur niet met verlies kan werken, zoodat in het laatstgestelde geval men voor de keuze komt te staan om of het uitvoerrecht op te heffen, of eenvoudig de zwakste ondernemers op te offeren en hen te dwingen hun bedrijf verder stop te zetten. Dit laatste beïnvloedt natuurlijk de welvaart van het land zeer ongunstig, terwijl ook de opheffing van het uitvoerrecht, wanneer daarop eenmaal de staatshuishouding gebaseerd is, tot een zeer onaangenaam resultaat voor 's Lands geldmiddelen leidt.

„Om nu voormelde bezwaren, aan de heffing van uitvoerrechten verbonden, zooveel mogelijk te ondervangen en die heffing niet te doen drukken op de producenten van de belaste producten, wanneer met den verkoop dier producten geen winst te maken is, heeft men het stelsel van de zoogenaamde glijdende schaal (sliding scale) uitgedacht.

„Dit stelsel beoogt bij het heffen van het uitvoerrecht zoo veel mogelijk rekening te houden met de kostprijzen der belaste producten, geen uitvoerrecht te heffen, zoodra de marktprijs gelijk is aan of slechts eene kleinigheid hooger dan de kostprijs, en het bedrag van het uitvoerrecht te regelen naar den marktprijs

*) Men moet hierbij in het oog houden dat de heer Gebhitzen zijn rede drie jaar geleden uitsprak. Thans zou een gemiddelde kostprijs van f 18, zelfs als onderstelling, wat heel ver van de werkelijkheid afwijken. De kostprijzen zijn sedert het midden van 1919 zoozeer verhoogd, dat thans de gemiddelde kostprijs van Robusta op ƒ25 a f 30 per picol is te stellen.

Sluiten