Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in dier voege, dat al naar de marktprijs hooger is, ook het bedrag van het uitvoerrecht stijgt.

„Dit stelsel is door de commissie van advies voor handelsaangelegenheden aan de Regeering aanbevolen als het minst slechte stelsel, voor het geval de Regeering, niettegenstaande de groote aan de heffing van uitvoerrechten verbonden bezwaren, toch tot die heffing mocht besluiten. Het is er echter ver vandaan, dat door het stelsel van de glijdende schaal, de bezwaren, die blijkens de ervaring aan de heffing van uitvoerrechten verbonden zijn, grootendeels zouden zijn ondervangen, zooals de Regeering in hare Memorie van Antwoord zegt; deze zienswijze heeft genoemde commissie dan ook niet als de hare aan de Regeering kenbaar gemaakt.

„Het stelsel der glijdende schaal beoogt, zooals gezegd, om zooveel mogelijk met de kostprijzen der belaste producten rekening te houden. Hieraan is echter in de eerste plaats het bezwaar verbonden, dat de kostprijzen van de verschillende ondernemingèn, die een bepaald product voortbrengen, altijd zeer uiteenloopen. Om te blijven bij het reeds als voorbeeld genoemd product, de Robusta-koffie, er zijn ondernemingen, wier kostprijs ƒ16, maar ook ondernemingen, wier kostprijs ƒ 20 en meer per picol bedraagt. Hoe moet nu voor het tarief de kostprijs van Robusta bepaald worden? Stelt men dien op het gemiddelde, dus ƒ 18, en begint men dus uitvoerrecht te heffen, als bijv. de marktprijs ƒ 18.50 per picol bedraagt, dan zijn de Robusta-ondernemingen, wier kostprijs meer dan ƒ 18.50 bedraagt, ten doode opgeschreven, als de marktprijs daalt tot laatstgenoemd bedrag. Ter voorkoming van dit gevolg moet men dus bij de vaststelling van het tarief den kostprijs zoo hoog aannemen, als de kostprijs der in de slechtste omstandigheden verkeerende ondernemingen bedraagt. Maar dit voert weer tot het slechte resultaat, dat dan de schatkist niets binnen krijgt, noch van de best gesitueerde, noch van de middelmatige ondernemingen, bij marktprijzen, die, hoewel niet schitterend, toch voor dergelijke ondernemingen nog winst laten.

„Verder blijft de ongelijkmatigheid in druk bestaan; want het spreekt vanzelf, dat ongeacht het bedrag van het uitvoerrecht, dit den producent, wiens kostprijs het hoogst is, die dus in de slechtste omstandigheden verkeert, veel zwaarder drukt dan diens collega's, die t.a. van den kostprijs van haar product in gunstiger omstandigheden verkeeren".

Ik heb deze uitvoerige aanhaling uit de rede van den heer Gbebitzen hier opgenomen, omdat zijne critiek een groot deel van haar waarde heeft behouden, ook al werden verschillende der in 1919 voorgenomen uitvoerrechten veranderd in productenbelastingen. Ik wijs vöorts op de bestrijding der uitvoerrechten dooide heeren Van Houten, Van Embden en Idenbueg in de vergadering van de Eerste Kamer van 30 Maart 1922 (Handelingen 534-6, 550-1 en 561-2).

Om de verschillende zooeven aangevoerde redenen moet het wel een groote

Sluiten