Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijzonderheid zijn, als het bedrag dat aan uitvoerrecht wordt geheven, — aangenomen dat het tarief naar de sliding scale met dat van de extrawinstbelasting overeenstemt, -— overeenkomt met het bedrag aan extrawinstbelasting, dal volgens de Ordonnantie op de inkomstenbelasting verschuldigd is, wanneer de vastgestelde winst met de werkelijkheid geheel strookt. Een controle die slechtf bij uitzondering tot het beoogde doel kan leiden, is geen controle, en een zoogenaamd correctief op een belasting naar de winst (ingevoerd uit overweging dal de rechtstreeksche vaststelling van deze zoo moeilijk is) dat slechts bij uitzondering als zoodanig dienst kan doen, is niet alleen geen correctief, maar een onbillijkheid en een onrechtvaardigheid bovendien.

Toen de Indische Regeering in haar Memorie van Antwoord aan den Volksraad over de begrooting voor 1920 als haar meening te kennen gaf, dat zij „de bezwaren welke in den loop der jaren zijn geopperd tegen de heffing van uitvoerrechten .... grootendeels (had) ondervangen door het beginsel dat de heffing bij marktprijzen, die de voortbrenging voor onder normale omstandigheden werkende ondernemingen niet of nauwelijks loonend doen zijn, achterwege blijft; matig blijft bij prijzen, die slechts geringe winsten kunnen laten en inderdaad zwaar wordt bij een stand van de markt, die den ondernemers zeer groote winsten in den schoot werpt", (Bijlagen Handelingen Volksraad, le gewone zitting 1919, stuk 34(a), bl. 10) zag zij een vromen wensch voor werkelijkheid aan.

Voor zoover de uitvoerrechten niet naar een sliding scale worden geheven, maar op een vast bedrag zijn gefixeerd, is daarbij elk verband met de winstgevendheid van het bedrijf, dat het bij uitvoer belaste product voortbrengt, verdwenen, en kan er dus met den besten wil niet van worden gesproken, dat zulk een uitvoerrecht als controle op- of correctief van een winstbelasting zou kunnen dienst doen. Wanneer men deze -heffingen ontdoet van de franje der fraaie motieven, waarmede zij werden opgesmukt, doch welke tegen de meest voor de hand liggende critiek niet bestand zijn, dan blijft er niets anders over, dan dat men hier te doen heeft met heffingen, die in het eene geval met de gemaakte winsten in het geheel geen en in het andere geval daarmede slechts zeer gebrekkig en onvolledig verband houden. In werkelijkheid zijn deze uitvoerrechten dan ook niets anders dan heffingen, waarvan de eenige houdbare rechtvaardigheidsgrond is, dat zij geld in de schatkist brengen zonder aanzien van den economischen grondslag, waarop zij heeten te rusten, of van de economische gevolgen, waartoe zij leiden.

Uitvoerrechten zijn zoowel door de wetenschap der staathuishoudkunde als door de fiscale praktijk reeds sedert tientallen van jaren veroordeeld en verworpen. Zij behooren tot de slechtste belastingen; voor zoover men ze hier en daar nog kent, stammen zij uit het tijdperk van belastingheffing, waarin zelfs het pogen ontbrak om de heffingen, die men deed, met economie en recht in over-

25. De vaste uitvoerrechten in dat verband.

Sluiten