Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

29. Hare fouten niet te vermijden.

30. De koffiebelasting op gelijke lijn met de uitvoerrechten naar „sliding scale".

gebrek, da.t er, zoolang men niet bij de zeer hooge winstpercentages is aangeland, telkens bij eenzelfden kostprijs, naar gelang de onderneming aan de eene of aan de andere grens van een belastingklasse staat, niet te verdedigen sprongen in het percentage van het geheven wordende recht plaats hebben. Ook deze fout zal ik hieronder, met cijfers en grafische voorstellingen ter verduidelijking, nader aantoonen.

Tk maak den ontwerper van de Ordonnanties betreffende deze heffingen van die fouten geen verwijt, want ik erken dat, hoewel deze misschien eenigszins hadden kunnen worden verminderd, ze met behoud van de uitgangspunten niet wel weg te nemen waren, zonder in zoo verbazend ingewikkelde regelingen te komen, dat de uitvoering der Ordonnanties in het geheel niet meer mogelijk zou zijn geworden. Maar het verwondert mij, dat, toen men zelf het resultaat van de uitwerking der grondslagen van de heffingen zag, men er niet uit concludeerde, dat men er van af moest zien dergelijke kromme regelingen tot Wet te verheffen.

Bij de koffiebelasting zag men zich weer verplicht een derden weg in te slaan. Daar de koffie vaak als bijproduct in gemengde ondernemingen wordt gewonnen, was het hier niet mogelijk, om gemiddelde productiekosten voor het product van elke onderneming vast te stellen. (Zie de zooeven aangehaalde M. v. T. bl. 24). Eigenaardig is het dat dit argument, dat toch ook voor het theegewas geldt, niet belet heeft dat men voor de thee (ook als zij in gemengde ondernemingen wordt geteeld) gemeend heeft wél een werkelijken kostprijs te kunnen vaststellen en zelfs daarop een ingewikkeld tarief toe te passen, dat bij kleine verschillen in den kostprijs groote verschillen in het te betalen belastingbedrag kan geven.

Doch, hoe dit zij, men ging bij de koffie weer op dezelfde ruwe wijze tewerk als bij de uitvoerrechten met sliding scale en nam eenvoudig in de Ordonnantie een vast bedrag voor kostprijseenheid van het product aan, zonder zich er om te bekommeren, of te kunnen bekommeren, öf en in hoeverre die gemiddelde kostprijs van den werkelijken afweek. Het gevolg hiervan is, dat bij de koffiebelasting niet minder dan bij de uitvoerrechten elk wezenlijk verband tusschen de winsten der onderneming en de belasting zoek is en dus hier ook al weer met den besten wil geen correctief van- of controle op de extrawinstbelasting is te zien.

Hoe onbillijk deze belasting wel werkt, blijkt duidelijk genoeg, als men ziet dat in art. 20 van de Koffieordonnantie eene (welhaast onleesbare) bepaling moest worden opgenomen, er toe strekkende, dat de belasting voor ondernemingen die nog geen volle drie jaar gewerkt hebben, niet hooger kan zijn dan de helft van de exploitatiewinst, die de koffiecultuur der onderneming geacht wordt in het belastingjaar te hebben opgeleverd, en dat voor de ondernemingen die langer dan drie jaren hebben gewerkt, de belasting niet hooger kan zijn dan de totale

Sluiten