Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

winst, die gemaakt zou zijn, indien de in de Ordonnantie aangenomen gemiddelde kostprijs met den werkelijken kostprijs pvereenkwam. Een regeling, die het noodzakelijk maakt zulke veiligheidskleppen op te nemen, veroordeelt zichzelf. Bovendien komt die uitzondering geheel in strijd met het uitgangspunt. Indien het in het algemeen waar is, dat in gemengde ondernemingen de werkelijke kostprijs van de koffie niet is vast te stellen, is dat ook niet mogelijk in de gevallen, waarin zich de vraag voordoet, of art. 20 der Ordonnantie van toepassing is.

Het heeft in de bedoeling gelegen verband te brengen tusschen de extrawinstbelasting eener- en de productenbelastingen en uitvoerrechten anderzijds, doch hoe onvoldoende dit verband is, blijkt ten slotte nog uit het 4e en 7 e lid van art. 83 der herziene Ordonnantie op de inkomstenbelasting 1920. Krachtens die bepaling kan ontheffing van de inkomstenbelasting en de extrawinstbelasting worden verleend, wanneer door buitengewone omstandigheden het volgens de Ordonnantie berekende ,,zuiver inkomen meer dan een vierde verschilt van hetgeen werkelijk door de belastingplichtigen gedurende het belastingjaar als zoodanig is of vermoedelijk zal worden genoten".

Gelijk in de adressen van den Ondernemersraad van 13 en 23 Januari 1922 aan den Gouverneur-Generaal (welke adressen als bijl. III en IV aan deze nota zijn toegevoegd) werd uiteengezet, valt de huidige crisis toch wel onder het begrip „buitengewone omstandigheden". Dit is onmiskenbaar het geval voor hen die — zooals de Indische Regeering zelve — „als vaststaande (aannamen), dat in de komende jaren nog veelvuldig buitengewone winsten zouden worden gemaakt". (Zie de meer aangehaalde M. v. T. bl. 2-3).

Tenzij nu het Indische gouvernement om de schatkist coüte-que-coüte te spekken, het begrip toch beperkt binnen veel engere grenzen dan het in het spraakgebruik heeft, zal bijv. van de extrawinstbelasting, welke in het belastingjaar 1921 over de uitkomsten van het voorafgaande jaar wordt geheven voor een belangrijk deel ontheffing moeten worden verleend. De productenbelastingen kennen echter zulk een door de billijkheid geboden bepaling niet.

Art. 84 van de herziene Ordonnantie op de inkomstenbelasting 1920 beoogt dubbele belasting te voorkomen door te bepalen, dat zij die aangeslagen zijn in een der productenbelastingen op hun verzoek ontheffing krijgen van hun aanslag in de extrawinstbelasting tot aan het bedrag van hun aanslag in een der productenbelastingen. Door die bepaling wordt bereikt, dat zij die èn in de extrawinstbelasting èn in een der productenbelastingen worden aangeslagen, practisch het hoogste bedrag hebben te betalen, waarvoor zij hetzij in de eerstgenoemde belasting hetzij in een productenbelasting aangeslagen zijn.

Al wordt dus van de extrawinstbelasting wegens buitengewone omstandigheden geheele of gedeeltelijke ontheffing verleend, helpt dit de aangeslagenen in

31. De productenbelastingen houden geen rekening met buitengewone omstandigheden.

Sluiten