Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32. De verrekening bij de uitvoerrechten.

de productenbelastingen niet, zelfs niet in de „gevallen van brand of andere rampen van Hooger Hand", genoemd in al. 7 van art. 83. Ook in dit opzicht is dus het verband tusschen beide categorieën van belastingen zoek.

Dat bij de uitvoerrechten met buitengewone omstandigheden geen rekening kan worden gehouden, behoeft nauwelijks vermelding. Maar hier wordt nog een veel verder reikende onbillijkheid begaan. In de bedoeling van den wetgever lag de ondernemingen een progressieve bijdrage te doen betalen van de door haar gemaakte winsten. Men nam zijn toevlucht tot de productenbelastingen en uitvoerrechten, alleen omdat het apparaat der belastingheffing in Indië niet zuiver genoeg werkt om die winsten langs directen weg met voldoende mate van juistheid te bepalen. Vandaar dat de speciale belastingen als correctief van en controle op de heffing der inkomstenbelasting hebben dienst te doen.

Bij de productenbelastingen trok men hieruit de logische consequentie, dat de opbrengsten van beide belastingen werden verrekend. De herziene Ordonnantie op de inkomstenbelasting 1920 voert dit denkbeeld in art. 85 ook door voor de uitvoerrechten op plantagerubber, kinabast, kinine en andere kinaproducten, maar niet voor die op petroleum en petroleum-derivaten. Waarschijnlijk is deze uitzondering te verklaren uit de overweging, dat het van de petroleum-ondernemingen wel afkan. Al zou dit onbetwistbaar zijn, dan zijn toch de boven ontwikkelde bezwaren tegen speciale heffingen naast de algemeen werkende „inkomstenbelasting" (zie par. 23) ook hier van volle kracht. Er kan geen enkel met de billijkheid strookend motief gevonden worden, om als een petroleum-onderneming en bijv. een tabaks-onderneming op Sumatra beide in een gunstig jaar 100 pCt. winst over haar kapitaal maken, beide even hoog aan te slaan in de extrawinstbelasting, doch hetgeen daarenboven door de tabaksonderneming aan tabaksbelasting wordt betaald, met den aanslag in de „inkomstenbelasting" tot maximaal het bedrag der extrawinstbelasting te verrekenen, terwijl die verrekening niet wordt toegepast voor het uitvoerrecht dat de petroleum-onderneming moet betalen. Het komt bij de heffing naar de winst toch alleen aan op de grootte van deze en van haar kwantitatieve verhouding tot het kapitaal, doch niet op den aard der onderneming, waaruit de winst wordt getrokken.

Men kan ter vergoelijking van dit manifeste meten met twee maten, dat in belastingzaken niet mag. voorkomen, geen beroep doen op de technische moeilijkheid om het verrekeningsdenkbeeld ook bij de uitvoerrechten toe te passen. Immers het uitvoerrecht op rubber en kina wordt wel verrekend, hoewel het ook bij deze rechten omslag met zich brengt en het doel slechts zeer tennaastenbij wordt bereikt.

Wat de rubber betreft geschiedt de verrekening niet over het werkelijk geheven uitvoerrecht van het product der onderneming, maar over het uitvoerrecht,

Sluiten