Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat zou zijn geheven, indien de totale productie, voor zoover zij niet vóór denverkoop of voor den uitvoer is tenietgegaan, tegen eenzelfden gemiddelden jaarprijs was uitgevoerd. Dit is wel goed bedoeld, maar indien de prijs stijgt of daalt tusschen het oogenblik van den verkoop en den uitvoer zal het gevolg van dit verrekeningsstelsel zijn, dat de kooper in het eene geval meer, in het andere geval minder uitvoerrecht heeft te betalen, dan met de onderneming verrekend wordt.

Wie een uitvoerrecht werkelijk draagt, is in geen enkel geval met eenige zekerheid te zeggen. Bij een vast recht kan men er nog op rekenen, dat de kooper het bij het afsluiten van het koopcontract in mindering bréngt van den prijs, dien hij bereid is te betalen. Bij een naar de marktwaarde wisselend recht loopt de kooper onvermijdelijk het risico van de veranderingen in het recht tusschen het oogenblik van den koop en dat van den uitvoer. Hij zal bij het in rekening brengen van dit risico wel trachten aan den veiligen kant te blijven (en bij een stijging van de markt beteekent een hooger uitvoerrecht dan waarop hij gerekend had/voor hem weliswaar geen verlies doch alleen een gedeeltelijke extrawinstderving), maar dit neemt niet weg, dat — nu de rubber in vele gevallen niet door de ondernemingen zelve maar door de koopers van haar product wordt uitgevoerd —, een verrekening van het uitvoerrecht niet met dengene op wiens schouders het kwam, maar met de ondernemingen, tot allerlei kromme resultaten moet leiden. Door bij de verrekening niet van de werkelijk betaalde rechten uit te gaan, maar van een uitvoerrecht dat zou zijn betaald, indien de prijs,gedurende het geheele jaar onveranderd was gebleven, kan men wel pogen die resultaten eenigszins te verbeteren, maar kooper A, die meer recht moet betalen, dan waarop hij bij den koop rekende, wordt er niet mede gebaat, dat dit door de berekening over den gemiddelden jaarprijs bij de onderneming wel terecht komt en dat kooper B, die minder recht heeft te betalen, ér een voordeeltje aan heeft. De fiscus past hier een aartsvaderlijke verdeelende gerechtigheid toe, die in den handel onmogelijk kan worden geapprecieerd en die in de gevallen, waarin de koopcontracten het uitvoerrecht ten laste van den verkoojper brengen, niet nalaten kan tot moeilijkheden aanleiding te geven.

Voor zooveel de verrekening van het uitvoerrecht op kina en kinabast betreft houdt de Ordonnantie een andere regeling in. Hier wordt het uitvoerrecht verrekend, dat gedurende het belastingjaar werd geheven „voor zoover is aangetoond, dat bedoeld uitvoerrecht inderdaad ten laste van den belastingplichtige (m de extrawinstbelasting) is gekomen". Indien men deze bepaling moest lezen, zooals zij daar staat, zou zij in geen enkel geval van toepassing zijn. Want het is nooit mogelijk aan te toonen „ten laste van" wien of wie een belasting komt. De Indische Ordonnanties maken telkens de fout van belasting dragen en belasting betalen als synoniem te beschouwen. (Zie art. 5 van de Tabaks-, Thee- en Suikerordonnanties en art. 4 van de Koffieordonnantie). Maar bedoeld is in al die ge-

4

Sluiten