Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

33. Gevaar van bestendi ging.

vallen en ook hier, aan te geven wie de belasting heeft te betalen, resp. dat deze niet meer dan door hem betaalde belasting mag verrekenen.

Voor zoover de kinabast onverwerkt door de plantages wordt uit gevoerd, loopt deze bepaling, met het zooeven gemaakte voorbehoud, rond. Maar anders is het als de bast wordt verkocht aan de Bandoengsche Kininefabriek. Deze zal over de door haar gefabriceerde kinine belangrijk meer uitvoerrecht hebben te betalen dan het bedrag van haar extrawinstbelasting. Toch zal van het betaalde uitvoerrecht niet meer worden gecompenseerd dan dit bedrag. Zij kan dus ook bij den door haar aan de ondernemingen te betalen prijs niet met de restitutie van het uitvoerrecht rekening houden en deze zelve kunnen het aan den fiscus niet in rekening brengen, omdat zij niet kunnen aantoönen, dat het uitvoerrecht inderdaad door hen is betaald (in de terminologie der Ordonnantie: te hunnen laste is gekomen), want het werd juist niet door hen maar door de kininefabriek betaald. Hieruit blijkt opnieuw hoe onmogelijk het is in deze materie op de gecompliceerde wijze, waarop de Indische belastingwetgever het poogt, ook zelfs maar bij benadering te bereiken, wat men zich voorstelt.

Hoewel, gelijk ik reeds in herinnering bracht, de Nederlandsche Regeering en de Nederlandsche wetgever de bezwaren tegen de uitvoerrechten en productenbelastingen zelf hebben ingezien en deze hoogste autoriteiten daarom hebben geweigerd te voldoen aan den aandrang van het Indische Gouvernement, om deze allergebrekkigste producten van belasting-wetgeving blijvend in het Indische belastingstelsel op te nemen, was het toch noodig op de fouten dezer belastingen met nadruk den vinger te leggen. Ik ben toch overtuigd, dat de Nederlandsche wetgever, indien hij zich rekenschap had gegeven van het uiterst gebrekkige en onbillijke in die heffingen, zelfs tijdelijk daaraan zijn goedkeuring niet zou hebben gehecht. Ook de Minister van Koloniën, die eerst deze heffingen in krasse termen veroordeelde, zou — indien hij op de gevolgen ervan dieper was ingegaan - niet de vergoelijkende woorden hebben kunnen schrijven, waarmede hij dit deel van zijne reeds geciteerde M. v. T. sloot: „Vermits de tarieven vopr deze uitvoerrechten en productenbelastingen zoodanig zijn opgesteld, dat daarin eene bij benadering gelijke heffing van de buitengewone winsten der betrokken cultuurbedrijven is gelegen, bestrijken zij ongeveer hetzelfde veld, dat door de aan die belasting toe te voegen heffing naar de gemaakte extrawinst zal worden omvat", (bl. 7).

Weliswaar nam de Eerste Kamer, met instemming van den Minister van Koloniën, in haar vergadering van 4 April 1922 (Handelingen 1921-22, bl. 598) een motie van den heer Van Lanschot aan, er toe strekkende dat de aan de productenbelastingen en uitvoerrechten onderworpen bedrijven na afloop van het jaar 1922, uitsluitend zullen worden belast naar de bepalingen van de herziene

Sluiten