Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ordonnantie op de inkomstenbelasting 1920. Maar een motie is geen wet en men moet zulke verklaringen niet te hoog aanslaan. Dit blijkt ook uit hetgeen de Minister er van zeide : „Met den in de motie uitgedrukten wensch, dat na afloop van dit jaar ook voor die bedrijven de behaalde winsten uitsluitend worden belast naar de drie grondslagen van de inkomstenbelasting, ga ik geheel akkoord. Ik maak hierbij alleen het voorbehoud, dat ik doorloopend heb gesteld, namelijk dat het reeds aangevangen overleg met de Indische regeering niet de besliste onmogelijkheid doet blijken om met het beschikbaar belasting apparaat dan reeds alleen mei de inkomstenbelasting verder in zee te gaan", (t. z. p. bl. 588).

In zijn tweeden termijn, nadat de heeren Van Lanschot en Idexbtjkg op een meer pertinente verklaring hadden aangedrongen, was de Minister positiever. „Nu mij van twee zijden opnieuw ter zake van (mijn voornemens aangaande de aardolie) vragen zijn gesteld, zal ik nog eens verzekeren, dat bij mij het zeer besliste voornemen bestaat en van den aanvang af bestaan heeft, om bij het einde van het jaar te staken de heffing van uitvoerrechten op die producten, om het even of daarna al dan niet een speciale voorziening noodig zal zijn in den vorm van een raffinagebelasting naast de extrawinstbelasting. Wat dus ook van dezen aard gebeurt, het plan tot opheffing van de uitvoerrechten staat bij mij vast." (t. z. p. bl. 597). En toen de heer Van der Feltz daarna nog opmerkte, dat een opvolger van den Minister door die verklaring niet gebonden zou zijn, ging Z.E nog verder door te verklaren: „Hetgevaar door (den heer Van der Feltz) genoemd, acht ik inderdaad niet aanwezig en dit te minder nog, omdat de motie (van den heer Van Lanschot) geheel overeenstemt met de inzichten en de bedoeling der Regeering zelf." (t. z. p. bl. 598).

Hoewel de Minister hiermede de zaak ook voor zijn eventueelen opvolger sterk praejudicieerde en deze door de uitspraak van den heer de Graaff, althans voor zooveel het uitvoerrecht op petroleum aangaat, moreel gebonden is, mag daaruit toch niet worden afgeleid, dat men door het zeer gebrekkige van de zoogenaamde correctieven op de inkomsten- en extrawinstbelasting van naamlooze vennootschappen aan te toonen een open deur zou inloopen. Men moet nog altijd rekening houden met het gevaar, dat, als het er op aankomt de schoone beloften in daden om te zetten, de nood der schatkist, gecombineerd met een beroep van de zijde der Indische Regeering, op de onmogelijkheid om tijdig met eene herziening gereed te zijn, dienst zal doen als argument om „voorloopig" nog maar met dee heffing van de gewraakte belastingen door te gaan. Dit gevaar is te grooter omdat, zooals bekend is, de Indische Regeering aanvankelijk een blijvende heffing dier financieele wangedrochten voorstond. Daarom kan niet krachtig genoeg worden uiteengezet, hoezeer zulk een bestendiging, wanneer men de gebreken der heffingen eenmaal kent, m>et alle begrippen van recht en billijkheid in strijd zou zijn.

Sluiten