Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C. TECHNIEK DER HEFFINGEN.

De tweede der door Smith aan de belastingen in het algemeen gestelde eischen, brengt ons van het terrein der beginselen op dat der techniek. De belasting moet zeker zijn en zoodanig zijn geregeld, dat zij niet tot willekeur in de toepassing aanleiding kan geven. De termijn en de wijze van betaling en het bedrag dat verschuldigd is, behooren duidelijk en klaar te zijn voor den belastingschuldige en voor ieder in het algemeen.

Ook de meest welwillende beoordeelaar zal wel niet durven beweren, dat de Indische belastingen, waarover mijne beschouwingenloopen, aan alle onderdeel en van dezen eisch voldoen. Wat de termijnen en de wijze van betaling betreft, geven de bepalingen der Ordonnanties inhet algemeen geen aanleidingtot gegronde critiek.

34. Terugwerkende Alleen tijdelijk is er in dit opzicht moeilijkheid tengevolge van de omstandigkracht. heid, dat in de heffing der belastingen zulk een groote achterstand bestaat,

en vooral wegens de hoogst onbillijke, en met alle goede begrippen van belastingrecht strijdende terugwerking der in den loop van 1921 uitgevaardigde Ordonnanties tot 1 Januari 1920. Tegen het geven van terugwerking aan belastingverordeningen kan niet ernstig genoeg worden gewaarschuwd. Met de oorlogswinstbelasting was het, indien men de oorlogswinsten inderdaad treffen wilde, niet wel anders mogelijk. Daarbij heeft men over de zeer gewettigde bezwaren tegen het verleenen van terugwerkende kracht aan een belasting wel moeten heenstappen, indien men het hoofddoel wilde bereiken.Vandaar dat zoowel voor Nederland als voor Nederlandsch-Indië het doen ingaan van die belasting op een veel vroeger tijdstip dan waarop de desbetreffende regelingen tot stand kwamen, hoe technisch verkeerd ook, wel moest worden aanvaard. Men had echter dit op zichzelf allerbedenkelijkste voorbeeld niet voor andere belastingen mogen volgen. Het doet zonderling aan dat de Regeering het zelfs niet de moeite waard achtte de verleende terugwerking, zij het kortelijk, te rechtvaardigen. Al wat de M. v. T. daaromtrent behelst is, dat er in 1919 conjunctuurwinsten werden gemaakt die niet door de (af te schaffen) oorlogswinstbelasting werden getroffen. „Er bestaat alleszins aanleiding om de buitengewone winsten, waarop hier wordt gedoeld, reeds in het loopende dienstjaar aan de extrawinstbelasting te onderwerpen,' zoodat op dien grond deze heffing op 1 Januari 1920 ware te doen ingaan". (Bijlage Handelingen Tweede Kamer, 1919-20, 565, 3, bl. 14). De terugwerking bepaalde zich echter niet tot de extrawinst belasting, maar ging (voor zoover het mogelijk was) over de geheele lijn. Door aldus terugwerking te

Sluiten