Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verleenen aan nieuwe of verhoogde oude belastingen, heeft men verzuimd te voldoen aan den ook in het belang van den fiscus zelf stipt na te leven plicht van de zijde" der overheid, om aan de ingezetenen recht te doen en hen niet te treffen op een wijze, die ook het meest elementaire rechtsgevoel kwetsen moet.

Het heeft dan ook aan protesten tegen de terugwerkende kracht der in 1921 tot stand gekomen belastingordonnanties niet ontbroken. Zoo zeide de heer Chas. Headley Strutt, als voorzitter van de vergadering van „the Java United Plantations" volgens het verslag, opgenomen in „The India-Rubber Journal" van 3 September 1921: „I think we ought strongly to protest against this retrospective taxation. After giving our dividends and paying our bonuses on the favourable year of 1919, w.earenowtobetaxedontheincomeforthatyearalone . .. Howcan any company work out its own salvation, when this kind of taxation is passed?"

In de vergadering van de Eerste Kamer van 30 Maart 1922 maakte de heer Idenburg den Minister van Koloniën eveneens opmerkzaam op de ontstemming, welke de terugwerkende kracht der Ordonnanties van 1921 vooral bij buitenlandsche belastingplichtigen heeft teweeggebracht. (Handelingen 1921—'22, bl. 555).

Het is intusschen nu eenmaal geschied en ik zou er niet met zooveel nadruk tegen opkomen, indien het mij niet noodig scheen, tegen eventueele herhalingen van dergelijk financieel wanbedrijf voor de toekomst te waarschuwen. Overigens zijn de termijnen van betaling duidelijk genoeg, en men mag aannemen dat, wanneer eenmaal de achterstand zal zijn ingehaald en vooral wanneer het zal gelukken in het samenstel der Indische belastingen de zoo hoog noodige vereenvoudiging aan te brengen, in de toekomst ook de belastingadministratie harerzijds zich aan de in de Ordonnanties gestelde termijnen zal houden.

Wat betreft den eisch dat het te betalen bedrag duidelijk en klaar en onaf- ; hankehjk van elke willekeurige toepassing der Verordening zijn moet, staat het heel wat minder gunstig. Dit geldt zoowel voor de zoogenaamde inkomstenbelasting, als voor de producten-belastingen. Bij de „inkomstenbelasting" van naamlooze vennootschappen is er bij de laatste herziening een omslachtigheid in het leven geroepen, die moeilijk had kunnen worden overtroffen. De herziene inkomstenbelasting 1920 kent drie belastingen van de vennootschappen:

a. die van het jaarlijksch zuiver inkomen,

b. die van de jaarlijksche extrawinst, en

c. die van de overwinst.

Reeds het enkele feit dat de belasting in drie zulke heffingen wordt gesplitst, maakt wel duidelijk, dat aan den eisch, dat de belasting helder en klaar moet zijn, niet slechts voor de belastingplichtigen zelve maar voor iedereen, in geenen deele wordt voldaan. Zonder ernstige bestudeering van de Verordening op de herziene inkomstenbelasting komt ook de in belastingzaken meest ervarene er

15. De ingewikkeldheid der „inkomstenbelasting".

Sluiten