Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet achter, wat het effect van die drie heffingen is. Bij de uitwerking worden er bovendien verschillen gemaakt, die historisch verklaarbaar, maar overigens onverstaanbaar zijn. De belasting van het zoogenaamde jaarlijksche zuivere inkomen wordt geheven van de volle zuivere winst der vennootschappen, zonder eenigen aftrek en zonder progressie. De belasting van de extrawinst wordt eveneens geheven van de jaarlijksche zuivere winst, maar met een progressieve schaal na aftrek van de inkomstenbelasting en van 10 °/0 van het in bet bedrijf rechtstreeks of door middel van reserveering of afschrijving gestorte kapitaal. De overwinstbelasting, die weer proportioneel is, wordt daarentegen niet geheven van de zuivere winst, maar van het uitgekeerde gedeelte daarvan, na aftrek van 8°/0 over het op de aandeelen gestorte kapitaal. Wel niemand zal durven beweren, dat zulk een regeling uitmunt door klaarheid en eenvoudigheid.

Men kan er wel achter komen, hoe zij is geworden, maar eenig leidend beginsel ontbreekt daaraan geheel. Dat bij de extrawinstbelasting 10°/o van het kapitaal vrijgesteld is, en bij de overwinstbelasting slechts 8°/0, kan men constateeren, maar een eenigszins plausibele reden voor dit verschil zal men tevergeefs zoeken. Toen men bij de herziening in 1921 de vrijstelling voor de overwinstbelasting van 5 tot 8 °/0 verhoogde, had men — al ware het alleen voor de bevordering van eenvoudigheid in de heffing — tot 10 °/c moeten gaan om in overeenstemming te komen met de extrawinstbelasting.

36 Gedeeltelijke dubbele Hetzelfde geldt voor de regeling der belasting van „holding-eompanies". belasting van „hol- Volgens het tweede lid van art. 26 der herziene Ordonnantie op de inkomstending-companies". belasting 1920 wordt de belasting naar de overwinst verminderd met hetgeen aan die belasting is verschuldigd ter zake van uitdeelingen op aan de „holdingcompany" toebehoorende aandeelen op naam in andere vennootschappen. Deze bepaling, strekkende ter voorkoming van dubbele belasting, is billijk; zij komt overeen met art. 3 van de Wet op de dividend-en tantième-belasting. Art. 21 der Ordonnantie daarentegen kent de aftrek van belasting, verschuldigd op aandeelen op naam, welke aan de „holding-company" toebehooren, voor zoover de belasting naar het zuiver inkomen en naar de extrawinst betreft slechts voor de helft. Waarom de Ordonnantie bij de overwinstbelasting de billijkheid geheel, en bij de zoogenaamde inkomsten- en de extrawinstbelasting slechts ten halve betracht, is niet duidelijk. Ten aanzien van de „inkomstenbelasting" is er geen enkel motief voor te vinden. Wat de extrawinstbelasting betreft, die naar een progressieve schaal geheven wordt, schijnt men te hebben gevreesd, dat bij het toelaten van vollen aftrek van de belasting geheven op de aandeelen in de dochtermaatschappij, de fiscus zou kunnen worden benadeeld. Men redeneerde daarbij aldus. Wanneer men bij de belasting der „holding-company" vollen aftrek toelaat van hetgeen haar dochter-maatschappijen aan extrawinstbelasting hebben betaald, zou er voor

Sluiten