Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vennootschappen met verschillende feitelijk op zich zelf staande onderdeel en aanleiding kunnen bestaan de meest winstgevende daarvan in afzonderlijke vennootschappen om te zetten en de aandeelen daarvan in portefeuille te houden. Werd nu de volle aftrek van de extrawinstbelasting van een aldus gevormde dochtermaatschappij toegelaten bij de bepaling van den aanslag van de moeder-maatschappij, die met een grooter kapitaal werkende ook bij een lager winstpercentage, een hooger bedrag aan extrawinstbelasting kan schuldig zijn dan de dochter-maatschappij die met een kleiner kapitaal, een hooger winst- en belastingpercentage kan hebben zonder op een hooger belastingbedrag te komen, dan zou langs dien weg de progressie in de heffing geheel of ten deele illusoir gemaakt kunnen worden. Het middel om zulk eene mogelijke ontduiking, die toch slechts in bijzondere gevallen mogelijk zou zijn, te voorkomen door in het algemeen de billijkheid slechts ten halve te erkennen en te volgen is niet slechts ruw. Het aangewezen verschil is bij de extrawinstbelasting evenmin te rechtvaardigen als bij de inkomstenbelasting. De regeling houdt bovendien het oprichten van dochter-maatschappijen tegen, waar dit op grond van algemeene economische of bijzondere bedrijfso ver wegingen gewenscht zou zijn. Dit verschil is niet te rechtvaardigen. In de zooeven genoemde gevallen gold het nog alleen onlogische verschillen. Hier is de zaak erger; hier toch wordt bij een der drie belastingen, welke de Ordonnantie regelt, het onbillijke van dubbele belasting erkend en bij de twee andere in een reductie van de dubbele belasting tot de helft een uiterst weinig fraai accoord getroffen tusschen billijkheid (of liever onbillijkheid) en fiscaal belang.

Maar hoe onlogisch en, wat het laatste punt betreft, hoe ongerechtvaardigd de aangewezen verschillen ook moeren,zijn, toch raken zij de hoofdzaak niet.

Hoofdzaak is, dat men drie heffingen samenkoppelt, waarvan twee berekend worden naar de gemaakte winst, en de derde naar het deel ervan, dat wordt uitgekeerd. Nu kan men bij een belasting op vennootschappen twee wegen bewandelen; men kan öf de werkelijk gemaakte winst tot grondslag nemen, öf alleen de uitkeeringen die daaruit worden gedaan. Bij de keuze tusschen deze twee stelsels gaat het niet om beginsel vragen, maar alleen om kwesties van belasting-techniek. Indien men echter in dezelfde belastingverordening ten deele naar de gemaakte winst, en ten deele naar de daaruit gedane uitkeeringen heft, heeft men van geen van beide stelsels de technische voordeelen en van beide de nadeelen.

Dat men in de Indische Ordonnantie in hoofdzaak uitgegaan is van de werkelijk gemaakte winst is, voor zoover is na te gaan, hieruit te verklaren, dat men zich ten aanzien van de naamlooze vennootschap heeft laten leiden door een ook op dit punt niet bestaande analogie tusschen de werkelijke inkomstenbelasting van natuurlijke personen en de zoogenaamde inkomstenbelasting van vennootschappen. Bij de belasting van het inkomen van natuurlijke personen kan het

37. Winstbelasting; uitkeeringsbelasting.

Sluiten