Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en de belastingadministratie over hetgeen wel en hetgeen niet als afschrijving en reserveering vóór de winstbepaling is toegelaten, en vandaar ook het onvermijdelijke element van willekeur in de bepaling van het belastbaar bedrag naar deze methode. Dit bezwaar is niet weg te nemen door — gelijk art. 6 al. 2, lett. a. van de herziene Ordonnantie op de inkomstenbelasting 1920 in navolging van de Ordonnantie van 1908 doet - te bepalen, dat afschrijvingen wegens waardevermindering in mindering van het „inkomen" mogen worden gebracht „voor zooveel deze door een goed beheer zijn geboden". Immers de belastingadministratie en de beheerders van de belastingplichtige vennootschap zullen onvermijdelijk met elkaar verschillen over de vraag wat „door een goed beheer geboden wordt".

Dit blijkt zonneklaar uit de praktijk der Indische inkomstenbelasting. De meerderheid der cultuur-maatschappijen heeft de gewoonte, welke ook in Nederland veel gevolgd wordt, om öf de balanswaarde harer onroerende goederen en machinerieën op een constant en in den regel ver beneden de werkelijke waarde gelegen bedrag te houden óf de waarde dier bezittingen in de balans zelfs tot f 1.— terug te brengen. In beide gevallen worden dan de uitgaven voor vervanging en vernieuwing evenals die voor uitbreiding, als de uitkomsten van het jaar het toelaten, geheel uit de winst afgeschreven of op een reserve geboekt.

Deze methode heeft ten gevolge dat in verschillende gevallen de winst- en verliesrekening wordt belast met soms belangrijke bedragen, die niet onder de eigenlijk gezegde exploitatiekosten thuis hooren. Deze bedragenomvattengewoonlijkzoowel uitgaven voor vervanging van bestaande als voor aanschaffing van nieuwe zaken.

Het Indische Departement van Financiën gaf nu voor de toepassing der betreffende bepaling van de Ordonnantie op de inkomstenbelasting ten aanzien van suikerondernemingen den volgenden leidraad uit.

„Vernieuwing heeft meestal waardevermeerdering tengevolge. Gaat de waardevermeerdering niet gepaard met eene uitbreiding van de onderneming, dan behoeft dit de toelating van aftrek niet te beletten. Anders wordt het, wanneer de vernieuwing tevens leidt tot uitbreiding. Uitbreiding behoeft niet te worden aangenomen, indien bij vernieuwing van machinerieën deze eene grootere capaciteit bezitten dan de oude, doch gaat deze vernieuwing gepaard met uitbreiding van den aanplant, dan zal splitsing van de kosten dier vernieuwing niet achterwege mogen blijven.

„Waar voor de bereiding van' wit-suiker nevens de bestaande installatie nog andere machinerieën benoodigd zijn, dienen deze bij eerste aanschaffing niet tot vervanging of vernieuwing van in gebruik zijnde, en in zooverre zijn ze dan ook niet noodzakelijk tot voortzetting van het fabrieksbedrijf in den bestaanden

omvang". .

Het Departement hinkte daarbij op twee gedachten. Het uitgangspunt dat uitgaven voor uitbreiding niet in mindering van de winst mogen worden gebracht,

Sluiten