Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belasting en het was — hoewel er geen stemming werd gehouden — zeer duidelijk dat de overgroote meerderheid van een vervanging van de dividend-en tantièmebelasting door een winstbelasting niet wilde weten. Drie sprekers sloten zich, hoewel zij eenige practische bezwaren tegen de bestaande regeling der dividenden tantièmebelasting ontwikkelden, uitdrukkelijk bij de conclusie van der inleider aan.

Het scherpst in zijne veroordeeling van de winstbelasting was wel de bij uitstek deskundige Mr. Dr. j. H. R. Sinninghe Damstè, hoofd der afdeeling Directe Belastingen, Invoerrechten en Accijnzen aan het Ministerie van Financiën. Deze zeide: „De oorlogswinstbelasting heeft ons getoond, welke ontzettende rompslomp aan de aanslagregeling der Vennootschappen verbonden was. Aanslagregeling van physieke personen is moeilijk, was dat reeds bij de bedrijfsbelasting enig dat nog meer geworden bij de Inkomstenbelasting, maar de moeilijkheden bij de regeling der aanslagen O.W. Belasting der Vennootschappen ondervonden zijn nog van geheel anderen aard. Niet alleen zijn er steeds speciale gevallen (als regelingen over agio en disagio,, dochtermaatschappijen en dergelijke), maar bovendien zijn er altijd door moeilijk op te lossen bezwaren en bijzondere situaties te overzien. Stelt men daar de ervaring met de Dividend- en Tantième-Belasting tegenover, dan kan men over die belasting zeer voldaan zijn; zij geeft geen moeite in de uitvoering, geen moeite aan het Departement, geen moeite aan den Hoogen Raad. Wel zijn er natuurlijk kwesties."

Bij de vennootschapsbelastingen, voor zoover ze, gelijk met de zoogenaamde inkomsten- en extra winstbelastingen het geval is, een blijvend karakter hebben, is het stelsel van belasting naar de uitkeeringen in praktijk te brengen, zonder zich bloot te stellen aan het gevaar, waarvoor men zich bij een tijdelijke belasting als de oorlogswinstbelasting had te hoeden. Weliswaar ontgaat aan den fiscus bij heffing van belasting naar uitkeering in het jaar der heffing de belasting over het niet uitgekeerde deel van de winst, maar er zijn daarbij twee gevallen mogelijk. Of wel het blijkt achteraf, dat niet te veel werd gereserveerd of afgeschreven, en dat dus door de schijnbaar hooge afschrijvingen en reserveeringen het kapitaal niet werd vergroot, maar dat deze moesten worden gebruikt om latere waardeverminderingen en verliezen te compenseeren. In dat geval is het met recht en billijkheid strookend, dat de fiscus ook geen aandeel ontvangt van een schijnwinst, die achteraf blijkt geen winst te zijn geweest. Het kan echter ook zijn, en zoo zal het in vele gevallen wezen, dat de hooge afschrijvingen en openlijke of stille reserveeringen inderdaad hebben gediend tot vergrooting van het in de onderneming gestoken kapitaal. Dan zal onvermijdelijk deze versterking zich op den duur uiten in hoogere en vooral ook meer gelijkmatige winsten dan bij een minder voorzichtige bedrijfspolitiek zouden zijn behaald; in

5

47. Belasting van de uit' keeringen.

Sluiten