Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

48. Dit stelsel is een voudig en sluit wil lekeur uit.

49. De progressieve winstbelasting.

50. Periodieke aan ning van het we lijke bedrijfskapü

dit geval krijgt dus de fiscus, zij het niet aanstonds, toch zijn aandeel in de in vroegere jaren teruggehouden gedeelten van de winst.

Stonden nu overigens beide stelsels gelijk, dan zou het begrijpelijk zijn, dat de ' fiscus toch aan dat van belasting naar de zuivere winst de voorkeur gaf, maar de belasting naar de uitgekeerde winst heeft het groote voordeel, dat daarbij de moeilijkheden, waarop hier in den breede werd gewezen, wegvallen. Het is eenvoudig, sluit alle willekeur uit, maakt veel administratief werk overbodig en bespaart dus aan de belastingadministratie zeer veel werk, terwijl het de belastingplichtige vennootschappen ontheft van allerlei ongerief, dat vaak, omdat er zoo licht kwetsing van het rechtsgevoel bij komt, nog veel meer ontstemt dan de druk van de belasting zelve.

Natuurlijk doen er zich — zooals de heer Sinninghe Damsté opmerkte — ook bij de uitvoering eener uitkeeringsbelasting wel kwesties voor. Maar de op te lossen moeilijkheden zijn hier aanzienlijk veel kleiner in aantal en in beteekenis dan die, welke zich bij de uitvoering eener winstbelasting opwerpen.

Bij de vervanging der belastingen op de naamlooze vennootschappen van de herziene Ordonnantie op de inkomstenbelasting 1920 door een uitkeeringsbelasting zou men intusschen de hier te lande bestaande wet op de dividend- en tantième-belasting niet blindelings behoeven te volgen, maar met de daarmede opgedane ervaring rekening kunnen houden.

Bij dit alles werd nog niet gesproken over een nieuwe moeilijkheid die zich, afgezien van de boven ontwikkelde bezwaren, voordoet bij een progressieve heffing van de winst, gelijk de extrawinstbelasting die kent. Wordt zulk een progressief recht geheven, dan kan men billijkheidshalve niet aan de consequentie ontkomen, dat de progressie rekening moet houden, niet met de verhouding tusschen winst en nominaal kapitaal, maar met die tusschen de winst en het werkelijk in het bedrijf aangelegde productief vermogen. Dit voert er dan toe, dat de belastingplichtigen periodiek moeten worden toegelaten tot het bewijs, dat er door stille en openlijke reserveering feitelijk meer kapitaal door de aandeelhouders in de vennootschap is belegd, dan alleen hetgeen door hen in den vorm van rechtstreeksche storting op hun aandeelen werd gedaan. Dit brengt de noodzakelijkheid met zich van een kapitaalsaantooning, zooals art. 2o van de herziene Ordonnantie van 1920 die, althans voor éénmaal, kent. Maar ook bij de toepassing hiervan doen zich groote moeilijkheden voor.

too- In de meermalen aangehaalde M. v. T. bij het Wetsontwerp tot aanvulling der rke Indische begrooting voor 1920 wordt de consequentie der periodieke kapitaals:aal- aantooning ontkend. „Het ligt echter geenszins in de bedoeling", - zoo wordt

Sluiten