Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar op bl. 13 geschreven — „ook daarna de gelegenheid tot periodieke aantooning van in het bedrijf aangewende winsten opengesteld te doen blijven. Aangenomen mag worden, dat wanneer de progressieve belasting van de extrawinst in werking zal zijn getreden, de rechtspersonen, die tot zoodanige ver^ hooging van het bedrijfskapitaal overgaan, als regel niet meer zullen nalaten een daaraan evenredige vergrooting van het maatschappelijk kapitaal tot stand te brengen."

In deze redeneering worden twee gewichtige factoren over het hoofd gezien. In de eerste plaats is het — afgezien van wettelijke moeilijkheden die te ondervangen zouden zijn — niet mogelijk bij elke verhooging van het bedrijfskapitaal het maatschappelijk kapitaal door de uitgifte van bonusaandeelen daarmede in overeenstemming te brengen. Dit kan praktisch alleen geschieden, wanneer die verhooging zulk een omvang heeft aangenomen, dat zij in een rond percentage van het maatschappelijk kapitaal van ten minste 5 of 10 % is uit te drukken. Maar bovendien zal de fiscus niet elke verhooging toelaten; anders- zou het al heel gemakkelijk zijn door kapitaalverwatering de geheele progressieve heffing illusoir te maken.

Begrijpelijkerwijze werd dit voorbehoud van de zijde der Regeering van den aanvang af gemaakt, toen zij de billijkheid van de aantooning van het werkelijke kapitaal der vennootschappen voor de toepassing der progressieve extrawinstbelasting erkende. Op bl. 14 van de Memorie van Antwoord betreffende het Ontwerp van wet tot wijziging en aanvulling van de Indische tariefwet (Bijl. Handelingen Tweede Kamer 1920—21, 214) schreef de Minister van Koloniën: „Het ligt voor de hand dat de noodige maatregelen zullen worden getroffen om te voorkomen, dat als kapitaalsstortingen de nominale waarde zou worden toegevoegd van bonusaandeelen, waarvan niet tengenoege van de belastingadministratie kan worden aangetoond, dat zij ten laste van een uit verkregen winsten gevormd reservefonds zijn uitgegeven of opwegen tegen besparingen, die in den vorm van afschrijvingen zijn verricht en in het bedrijf zijn vastgelegd".

Men ontkomt dus, ook bij de niet-toelating der periodieke kapitaalsaantooning niet aan den periodieken strijd tusschen vennootschap en fiscus over de werkelijke grootte van het bedrijfskapitaal.

Bij het stelsel dat door den Ondernemersraad voor de toepassing van artikel 51. Toepassing van art. 25 werd aanbevolen ') worden de moeilijkheden der kapitaalsaantooning wel tot 25 der Ordonnantie een minimum teruggebracht, maar toch zullen er ook daarbij in verschillende op d? inkomsten'

bfilfistinn

bijzondere gevallen allerlei onderhandelingen tusschen de belastingadministratie

!) Zie bijl. V.

Sluiten